Herinneringen aan een slagerszoon

Herman Van Isterdael neemt pensioen

 

Patrick Praet 

Sinds dit jaar heeft het bestuur van de Heemkring er in zijn rangen een gepensioneerde bij. Nu is het wel niet de gewoonte van de vereniging om hieraan in de Mededelingen ruchtbaarheid te geven, maar in het geval van onze voorzitter Herman Van Isterdael maken we toch graag een uitzondering. Zijn loopbaan als historicus en de eigen aanpak zijn namelijk atypisch voor iemand die tot het Belgische kruim van archivarissen en historische vorsers kan gerekend worden. Een korte bijdrage over een merkwaardig man...

Mijn vroegste herinnering aan Herman gaat terug tot het midden van de jaren 1970. Op een dag belde bij ons thuis een onbekende man aan. Hij viel op door zijn vrij lang zwart haar en dito baard, kortom niet direct het type dat thuis vaak over de vloer kwam. Gewapend met een stevig fototoestel trok hij naar onze ‘lochting’ achter het huis waar hij enkele foto’s nam van wat in mijn ogen altijd het ‘kiekenkot’ was geweest. Het was overigens pas op dat ogenblik dat ik vernam dat het stenen gebouwtje voor onze kippen eigenlijk een bijna 200 jaar oude broodoven was, op dat ogenblik uniek in Okegem. De wat obscure man vertrok zonder veel woorden en even snel als hij gekomen was. Uiteindelijk bleek het te gaan over ene Herman, mij vaag bekend als de zoon van Karel Van Isterdael (toen bekend als Sjalen den bieënaver op de Leopoldstraat). De jongeman was met zijn weinig conventioneel voorkomen duidelijk een product van de jaren 1970, een periode waarin men oog kreeg voor het lokale en het kleinschalige. Ook dat heeft Herman nooit helemaal los gelaten.  Niet toevallig waren het de jaren van de gemeentelijke fusie (1977), het ‘Jaar van het dorp’ (1978), de oprichting van talrijke heemkundige kringen waaronder ook deze van Okegem. Ik wist toen nog niet dat ik Herman op dat ogenblik had leren kennen als heemkundige, als iemand die voortdurend bezig is om het Okegemse erfgoed te inventariseren. Het zou me niet verwonderen dat de foto van onze oude oven zich nog steeds in zijn collectie foto’s bevindt.

De Heemkring heeft Herman steeds nauw aan het hart gelegen. Hij was medestichter en bestuurslid sinds de oprichting van de vereniging in 1975. Hij schreef mee aan 132 jaar gemeentelijk onderwijs te Okegem, zijn eerste historische publicatie en het begin van tientallen bijdragen in de Heemkring. In 1989 werd Herman voorzitter.  Op dat ogenblik stond de Heemkring op een tweesprong: doen we verder, en zo ja: op welke manier? Het typeert zijn doorzettingsvermogen – sommigen noemen het koppigheid – dat de Heemkring is blijven voort werken, ook vandaag. De Heemkring plooide zich onder zijn leiding terug op de publicatie van de driemaandelijkse Mededelingen die in een compacter formaat en op regelmatige basis verschenen. De artikels werden gevarieerder, kregen meer foto’s en speelden nu ook in op de lokale actualiteit. De vergaderingen verliepen onder leiding van Herman volgens een voorspelbaar stramien, maar toch was het een moment waar we allemaal naar uitkeken. Hij probeert nog steeds de werksessies waarbij de boekjes verzendingsklaar worden gemaakt, met strakke hand te leiden, een kwaliteit die met een soms balorig bestuur wel nodig is. Maar daarna volgt al jaren een afdronk in een plaatselijk café waar de voorzitter steevast met een aantal grappen de plezante sfeer inluidt.

Onze tweede ontmoeting dateert van de winter van 1985.  Ondergetekende werkte toen aan zijn eindverhandeling over armoede in het 19de-eeuwse Aalst. Jozef Van der Speeten, toen reeds algemeen bekend als een autoriteit op het vlak van lokale geschiedenis, verwees me voor mijn onderzoek naar die andere historische superster van het dorp. Nochtans was Herman op dit vlak een relatieve laatbloeier. De slagerszoon was namelijk zijn loopbaan begonnen als onderwijzer in het Heilig-Kruiscollege in Denderleeuw. Zijn bijdragen voor de Heemkring hadden de historische microbe enkel maar aangewakkerd. Hij schreef zich daarom aan de VUB in voor de opleiding geschiedenis. Als werkstudent haalde hij in een mum van tijd zijn licentiaats- (1980) en doctoraatsdiploma (1983). Met die kennis in mijn achterhoofd klopte ik op die winterse zondagnamiddag wat schuchter aan in de Idevoordelaan. Wie opendeed was de man van tien jaar geleden, het haar en de baard wat korter geknipt, maar ook verouderd want het intense werkritme was de voorbije jaren belastend geweest. Herman had niets van de academische air waarmee vele geschiedkundigen zich vaak omgeven. Bij Herman voelde je je inderdaad direct op je gemak. Onmiddellijk toverde hij verscheidene steekkaartenbakken op zijn keukentafel. Op dat ogenblik was hij namelijk bezig met de Bibliografie van de gemeenten van het Land van Aalst (1950-1983), een titanenwerk dat intussen door de vereniging Het Land van Aalst nog altijd wordt voortgezet. Verzamelen van data en het toegankelijk maken voor een breed publiek: het heeft hem steeds nauw aan het hart gelegen. Naast de bibliografie van het Land van Aalst verraste hij de genealogische wereld enkele jaren geleden dan ook met zijn gezinsreconstructies over Okegem, Iddergem, Liedekerke, Denderleeuw,… Concreet gaat het om familiegeschiedenissen waarmee iedere beginnende genealoog onmiddellijk aan de slag kan. De volumineuze publicaties laten het kleinste kind toe om in grote lijnen zijn stamboom te reconstrueren. Dat hij aan dergelijke naslagwerken tot diep in de nacht werkte, vormde voor hem geen probleem: ‘dat is geen werk, het is een ontspanning’, zei hij vaak. Nietsdoen staat inderdaad niet in zijn woordenboek.

Een derde herinnering is van recentere datum. We schrijven nu 2012. De leden van de Heemkring werden door Herman rondgeleid in het vernieuwde rijksarchief van Leuven. Het werd een bezoek dat bij velen is blijven hangen. We leerden allemaal dat een archief meer is dan een verzameling oude papieren in een aftands gebouw en met een kleurloze archivaris die nors de documenten bovenhaalt. Wat Herman ons die dag toonde was en is baanbrekend in het archiefbeheer in Vlaanderen: een toegankelijke leeszaal met een reeks vrijwilligers, moderne opslagruimten voor de archiefstukken waar inzake luchtdruk, temperatuur en veiligheid niets aan het toeval wordt overgelaten, én een archiefbeleid waar publieksservice duidelijk centraal staat. Tijdens zijn passages in vorige rijksarchieven (Ronse en Kortrijk) had hij reeds een spoor van vernieuwing achtergelaten. Jaren na zijn vertrek spreken collega’s er nog over zijn voluntarisme en zijn werkkracht. Deze ervaring kon hij de laatste jaren helemaal botvieren in de modernisering van het rijksarchief van Leuven. Dit levensproject legde een ander aspect van Herman bloot. Blijkbaar was hij meer dan de stoffige historicus. Als rijksarchivaris in Leuven ontpopte hij zich ook als bouwheer en manager. De vernieuwing van het Leuvense rijksarchief dient vandaag dan ook als maatstaf voor het nieuwe archiefbeheer in België.

Een laatste anekdote halen we uit het rijke arsenaal van zijn grappen, grollen en wijsheden die we ooit mochten aanhoren. Op een dag komt er een vrouw van niet-Belgische afkomst bij hem aanbellen. Uiteindelijk blijkt het iemand die aan de deur beeldjes verkoopt om haar operatie te betalen. Herman ziet er een doorzichtige truuk in om geld af te troggelen en besluit niets te kopen. Maar terug in huis slaat de wroeging toe. Stel dat de vrouw het geld echt nodig heeft om een noodzakelijke medische ingreep te ondergaan, was zijn reactie dan niet bijzonder onmenselijk? Resultaat: Herman gaat terug naar buiten en roept de vrouw terug die al een eindje verder was. De vrouw blijkt enkel wat Engels te kennen maar via wat schriftelijke vragen vist Herman naar de waarheid van het verhaal. Zijn ondervragingstechniek leert hem dat van een operatie waarschijnlijk geen sprake is. Zijn conclusie: van een of andere donatie aan de vrouw kan er dan ook geen sprake zijn. Het geval leert heel wat over Herman als historicus en als mens. Niet alleen houdt hij ons voor dat we ten allen tijde kritisch moeten zijn tegenover alles wat men leest en hoort: een basiskwaliteit van elke historicus! Maar ook illustreert het voorval ook zijn eerlijkheid. Wie niet recht voor de raap is, kan bij hem op weinig medelijden rekenen. Zijn vranke houding en zijn drang om ongezouten kritiek te geven, leverde hem soms evenveel vijanden als vrienden op. Maar ten derde illustreert het voorval met de bedelares ook zijn bekommernis om degenen die in nood zijn. Zelf geboren in een eenvoudig gezin van vijf kinderen heeft hij zijn afkomst nooit verloochend. Meer nog, de onderdrukking van de gewone man die moest lijden onder onrechtvaardigheid, heeft hem steeds gefascineerd. Ook in zijn eigen vakgebied komt dit tot uiting. Het bepaalde de keuze van zijn licentiaats- en doctoraatsverhandeling.[1] In beide publicaties staat de arme plattelandsmens centraal die gebukt gaat onder de privileges van kerk en vorst. Deze verontwaardiging en dit rechtvaardigheidsgevoel hebben het leven van Herman vorm gegeven. En dat siert hem.

 

[1] Licentiaatsverhandeling: Sociaal-economische studie van een plattelandsgemeenschap in de XVIIe en XVIIIe eeuw (VUB, 1980) – Doctoraatsverhandeling: Belasting en belastingdruk: het land van Aalst (17de-18de eeuw) (VUB, 1983).