25 jaar godsdienstpraktijk in Okegem

Mijmeringen van een dorpspastoor

 

Pastoor Alfons Callebaut

We kunnen er uiteraard niet naast kijken… Het kerkbezoek op zondag is overal in Vlaanderen in vrije val. En ook doop- of huwelijksvieringen zijn bijzonder schaars geworden. Alleen de kerkelijke begrafenissen kunnen nog min of meer stand houden. Voor de Heemkring was dit een aanleiding om een artikel te wijden aan de godsdienstpraktijk in Okegem tijdens de voorbije decennia. Aan wie konden we dit beter vragen dan aan pastoor Alfons Callebaut zelf die dit jaar precies 25 jaar parochiepriester van Okegem is? Hij levert ons niet alleen enkele frappante cijfers, maar in zijn eigen typische stijl gaat hij ook op zoek naar de maatschappelijke verklaringen voor de ontkerkelijking. Als verwoed lezer en kenner van de Westerse geschiedenis plaats hij dit fenomeen in een breed historisch en maatschappelijk kader. Deze bijdrage laat zich niet lezen als een historisch-wetenschappelijke analyse. Het gaat om een bespiegelende tekst van een diepgelovige die zich verwonderd vragen stelt bij de gevolgen van de secularisering van de maatschappij.

*

De vraag van de redactie om iets te schrijven over de godsdienstpraktijk in onze Okegemse parochie is niet zo eenvoudig te beantwoorden als men op het eerste gezicht zou denken. Een eerste antwoord kan zijn: wij bekijken de cijfers die spreken over het aantal kerkgangers, toediening en viering van de sacramenten, religieuze initiatieven,…. Die cijfers worden jaarlijks bijgehouden. Zo kan men dan de veranderingen, schommelingen aflezen van de tabellen. Feiten, getallen. En dan? Een tweede benadering dringt zich op. Het echte antwoord vindt men misschien als men ook rekening houdt met het geheel van de sociologische omwentelingen, wisselende waarden, culturele veranderingen, kortom de voortschrijdende maatschappelijke evolutie. Dit alles is medebepalend voor de beleving van het religieuze, het geloof en de godsdienstpraktijk. Wanneer wij ons beperken tot de periode van na de Tweede Wereldoorlog tot heden stellen wij immers enorme veranderingen vast in de wereld, het oude Europa, onze eigen leefwereld. Is de wereld van 1950 nog te herkennen in de wereld van 2013?      

 

De cijfers

Omdat ik geen statisticus ben, kan ik de lezer niet al te erg vervelen met tabellen, cijfers, enz. Toch leren cijfers ons de neergang van geloof en praktijk in de christelijke gemeenschap.

Op onze parochie worden doopsel en vormsel nog traditioneel gevierd en toegediend. Maar vooral bij het vormsel is de neergang ingezet. Huwelijken zijn zeldzaam geworden, zowel burgerlijk als kerkelijk. Begrafenissen in de kerk hebben lang stand gehouden, maar door de opkomst van de crematoria gaat ook deze praktijk in toenemende mate naar beneden.

Maar ik wil terugkeren naar ons onderwerp : de geloofspraktijk in onze parochie. Daarom enkele recente cijfers die voldoende de trend weergeven… Het aantal misgangers in het weekend in 1966, ten tijde van het Concilie, was 1330. In 1967: 1171, in 1968: 1080, in 1969: 984, in 1970: 811. Bij dit laatste getal werd door de tellers vermeld dat 483 personen op tijd kwamen en dat 328 te laat waren. Tien jaar later in 1980 waren er nog 691 mishoorders, zoals zij toen nog werden genoemd. In 1985 was dit teruggevallen tot 521, maar in 1986 telden we opnieuw 760 misgangers (dit was wel de tijd van de geloofsdagen). Weer tien jaar later in  1990 waren er nog 448, om in 1995 terug te vallen tot 222, in 1998 tot 199, en in 2011 tot 113.

Nog een bijzonderheid is de viering van Kerstmis. Ik vind terug dat in 1986 800 gelovigen de nachtmis en de dagmissen bijwoorden, in 1996 waren het er 205 en in 2007 113.[1]

Dat huwelijken zeldzaam worden, weten wij uit de nationale statistieken die zich weerspiegelen in de Okegemse cijfers bij het doopsel van de laatste jaren. In 1988 werden 24 kinderen gedoopt. Hiervan waren er twee kinderen zonder gehuwde ouders en twee waarvan de ouders wettelijk gehuwd waren, dus 20 gehuwde paren op 24. Elf jaar later in 1999 waren er op 33 gedoopten 12 kinderen met ongehuwde ouders en 2 met wettelijk gehuwden, dus 19 gehuwde ouders op 33. Weer 10 jaar later in 2009 : op 21 dopelingen waren er 10 zonder gehuwde ouders en 3 met wettelijk gehuwde ouders, dus 8 gehuwde ouders op 21.

Deze enkele gegevens mogen volstaan om de algemene trend te illustreren : het religieuze, het geloof en de beleving ervan zijn in een halve eeuw bijna verdwenen in onze parochie, in ons land, en de evolutie gaat haast overal in Europa dezelfde kant uit.

 

De maatschappelijke veranderingen achter de feiten

Met de Franse revolutie (1789) kreeg een reeds drie eeuwen langzaam groeiende, andere visie op mens en maatschappij een concrete vorm. Van de gemeenschap verschoof het zwaartepunt naar het individu, van het “horen tot het gezamenlijke” naar het “zelfstandig kiezen”, van lidmaatschap tot individuele persoon. Er ontstond een dualiteit : groepsverband versus persoonlijke vrijheid. Dit denken stelt de bestaande orde in vraag.

De 19e eeuw werd dan ook, mede door de technische vooruitgang, het laboratorium van de nieuwe tijd. De oude gezagstructuren verbrokkelden. De nieuwe vrijheid riep nieuwe maatschappelijke, politieke, artistieke en religieuze inzichten en structuren in het leven. Eén van de opvallendste veranderingen is wellicht te merken op het politieke vlak. Het gezag en de macht werden finaal niet meer gegrond op het goddelijk recht  (de Franse koningen werden gezalfd door de bisschop van Reims), maar in de persoon en het recht van de mens zelf. Het ontstaan van de politieke partijen was hiervan het logische gevolg.

De beide wereldoorlogen in Europa deden het geloof in de glorierijke toekomst van de moderne, ontvoogde mens hevig wankelen. Vroeger, en vandaag nog in vele delen van de wereld, werden oorlogen meestal in de schoenen geschoven van God of van één of andere hogere macht die als ‘steek-waarop’ dienden om alle onwaardige drijfveren te camoufleren. Met de ontvoogde, verlichte en zelf-verantwoordelijke mens zou dit niet meer kunnen. Vrede, Vooruitgang, Victorie.

De Canadese historica, Margret MacMillan bewijst in haar boek The war that ended peace hoe de Europese leiders tijdens de ‘Groote Oorlog’ voor de confrontatie kozen. Het waren geen leiders meer met goddelijk gezag, maar gezagdragers met een humanistische fundering. Het resultaat was eender. Dezelfde historica zegt : “in 1914 vernietigde Europa zijn geschiedenis”. Dan kwam de Tweede Wereldoorlog die de gruwelijkste uit de wereldgeschiedenis is geweest met naar schatting 50 miljoen doden in Europa en nog 20 à 30 miljoen in de rest van de wereld. De grootste atheïstische revolutie met de nieuwe atheïstische messiaanse visie, het marxisme, had door het ‘genie Stalin’, ondertussen ook rond de 20 miljoen slachtoffers gemaakt. De balans van de nieuwe wereld was een totale catastrofe. Het ‘god-loze tijdperk’ keek verschrikt op. De verlichte, verloste moderne mens ? De ontreddering was groot. En nu ? Hoe verder ?

De vastbeslotenheid om komaf te maken met elke vorm van geweld, gaf een nieuwe impuls voor de toekomst. Het “nooit meer oorlog” van na 1914-1918 zou nu wààr worden ! En sinds1940-1945 is er géén dag zonder oorlog geweest.

Als wij terug komen bij het religieuze, het geloof en de beleving ervan, is het direct duidelijk dat deze nieuwe wereld ook mede bepalend moet zijn voor de beleving van de godsdienst. Eén van de elementen van de maatschappijvorming is naast taal, land en politiek ook de godsdienst. Het is een van de bindende factoren van een samenleving. In tijden en culturen waar het godsgeloof vanzelfsprekend is, wordt de geloofsbeleving haast verplicht, het hoort bij de identiteit van het volk, de samenleving en ook bij het individu. En daar speelt automatisch de sociale controle een rol. De godsdienst is immers geïncorporeerd in het leven, zowel van het geheel als van de enkeling. Religieuze riten, gebeden, symbolen, beelden, plaatsen, samenkomsten, vieringen enz… bepalen het ritme van het bestaan, kleuren de bijzondere momenten van het leven, zowel van de gemeenschap als van het individu. Deze maatschappij- en religiebeleving kennen wij de hele geschiedenis door en enigszins tot verbazing van velen vandaag treffen wij dit aan in het grootste deel van de wereld. Bij ons zien wij hoe voor de islamwereld de religie een allesomvattend bestanddeel is van het zijn, het handelen, de identiteit. Ook vandaag.

Toen in onze Westerse wereld met de verlichting de Godsidee een nutteloze veronderstelling werd genoemd (une hypothèse inutile) is stilaan de splitsing gegroeid tussen godsdienst en gemeenschap. Kerk en staat gingen uit mekaar: elk zijn terrein. De wereldlijke werkelijkheid verwierf haar autonomie, los van de godsdienst, iets wat in de vroegere tijden ondenkbaar was en wat vandaag bij militante godsdiensten eveneens als ondenkbaar wordt ervaren.

Toen God uit de gemeenschap werd verbannen is het geloof in het goddelijke stilaan onder druk gekomen. Wat is begonnen bij denkers, politici, kunstenaars, heeft zich langzaam een weg gebaand in heel het denken van de westerse wereld. God werd terug gedrongen binnen de muren van de kerk en de intimiteit van het gelovige hart.

In de 19e eeuw hebben geloof en kerk zwaar weerwerk geboden aan deze evolutie. In onze streken was er na Napoleon niet alleen een forse bevolkingsaangroei, maar ook een nieuw religieus elan. Veel half verwoeste en geplunderde kerken door de Franse troepen van de zelfgemaakte keizer, werden hersteld en vooral vergroot ! Onze eigen kerk, die van Outer, Denderhoutem, Haaltert, Welle, … werden uitgebreid (de laatste twee werden totaal opnieuw en groter herbouwd). Het is de tijd (1830-1960) dat in de recente kerkgeschiedenis het ‘Grote Missie-uur’ wordt genoemd. In heel Europa worden nieuwe missiebewegingen gesticht. Bij ons denken wij direct aan de Scheutisten (mannen én vrouwen). Naast de missie hielden deze stichtingen zich ook bezig met de noden in de gemeenschap zoals de Broeders en Zusters van Liefde die de zorg opnamen voor zieken, gehandicapten, psychische zieken, ouderen en kinderen. Alleen in ons bisdom zijn in die tijd meer dan 60 congregaties gesticht, elk met een eigen doel en opdracht, voor het welzijn van (meestal) de kleine mens.

Deze religieuze beweging was nodig in die zogenaamd ‘humane’ 19e eeuw die met zijn verheerlijking van het individu helemaal geen oog had voor armoede, ziekte, zwakken en onvermogenden. De vooruitgang werd immers gereserveerd voor de bezittende klasse en van het geroemde Liberté, Fraternité, Egalité bleef maar weinig over. Dit ideaal werd door de macht gemonopoliseerd. In ons land viel de sociale beweging spoedig uiteen in twee elkaar bekampende richtingen: de ene religieus (de christendemocratie), de andere niet of zelfs anti-religieus (het liberalisme, de sociaaldemocratie). Zo werden stilaan de grote idealen van de verlichting, bij stapjes, dichter gebracht. Bijvoorbeeld: elke burger gelijk, dus algemeen stemrecht,… Maar vooral de ‘zonder- en antibeweging’ werd de algemene trend in gans Europa. Na 1945 is die nieuwe tijd een feit. Ondanks nog succesvolle acties zoals de parochiale missies, Heilig-Hartbonden, christelijke beroepsorganisaties, standenorganisaties, … was de groeiende werkelijkheid een gemeenschap los van God en werd de Kerk als een rem gezien.

De kerkelijke visie bleef vaak steken bij de christelijke caritas. Een mooi begrip maar los van de gedachte dat het niet op aalmoezen of liefdadigheid aankwam maar dat de maatschappij zo diende te worden ingericht dat de vernederende liefdadigheid overbodig werd. Hier was de christelijke aarzeling om de bestaande orde in vraag te stellen nefast voor haar geloofwaardigheid. Maar eerlijkheidshalve moeten wij in ons eigen land de geweldige bijdrage van de christelijke zuil (zoals die later laatdunkend werd genoemd) onderlijnen. Het Belgische overlegmodel, tijdens de oorlog geboren, waarbij alle strekkingen, werknemers en werkgevers betrokken waren, was een voorbeeld voor heel wat landen omdat dit consensusmodel van ons land een voorspoedig land heeft gemaakt.

Het areligieuze denken was na twee eeuwen doorgedrongen tot in alle geledingen van de samenleving. De secularisering of de verwereldlijking (zonder verwijzing naar welke hogere orde ook) en de “ont-tovering” van wereld en mens was in het Westen een feit. Johannes XXIII en het Concilie begin jaren zestig zijn er niet in geslaagd de kerk dichter bij de wereld te brengen (het aggiornamento of het “bij de dag-nu-brengen”).

Het  blijvende wantrouwen tegenover de wetenschap, het lang afwijzen van nieuwe benaderingen van de mens zoals in de psychologie, de piramidale inrichting van de kerk met de paus als absolutistische alleenheerser, de afwijzing van de inbreng van de gelovigen, leken (of niet-gewijden), … moesten in aanvaring komen met de democratisering in de Westerse wereld. Zo ging bij een groot deel van de denkende mensen het krediet van de Kerk verloren.

Vandaag kijken wij met verwondering, ja verbijstering, naar de situatie van het religieuze, het geloof en de beleving ervan in onze Westerse wereld. Eén dag rondkijken, luisteren, lezen, leert ons dat het hele religieuze gebeuren verdwenen is uit onze leefwereld. Er zijn kleine eilanden van religieuze beleving maar zonder weerslag op de samenleving… Sekten ? Ik weet het niet. Ik heb geen glazen bol. Toch zie ik in de hele wereld telkens weer het religieuze terugkomen, vaak in bizarre vorm, maar blijkbaar op één of andere manier tegemoetkomend aan menselijke behoeften want, en dit is mijn overtuiging, het materiële en het IK-gerichte van de huidige wereld is niet dé oplossing die de verlichting (hoe belangrijk zij ook is geweest) ons bracht.

Daarom wil ik nog even vanuit de zojuist genoemde menselijke behoeften terug komen op de geloofsbeleving in onze parochie, wat de hoofdbedoeling was van deze bijdrage. De twijfels, vragen, angsten en de onuitroeibare wil tot leven werden in alle tijden langs het religieuze, het geloof en de beleving ervan verzacht, beantwoord, met hoop vervuld. Over alle menselijke onmacht heen is er een ultieme rechtvaardigheid gewaarborgd door de eerlijke en liefdevolle God. Dit godsvertrouwen is de hefboom van het christendom. Er verschijnen altijd weer ontelbare religieuze praktijken die vorm geven aan het vertrouwen in de goddelijke bijstand, in de ultieme beloning en/of straf.

Er ontstonden in de loop der tijden ontelbare devoties en dito praktijken, ook op onze parochie, van korte of langere duur, maar allemaal de afhankelijkheid van de mens tegenover God erkennend. Gebeden in groep, novenen, bedevaarten, processies, rozenkransen, heiligenvereringen, Mariacultus, patroonsfeesten, zegeningen van mensen, dieren en allerlei materiële zaken, broederschappen waarin de leden elkaars zielenheil en zo nodig ook het tijdelijke welzijn behartigen, kenden bloeiperiodes. In vele kerken zijn er overblijfselen van voorbije of nog bestaande devoties terug te vinden al is er in de jaren zeventig een grote, niet altijd gelukkige, opruiming geweest van veel zaken die niet meer relevant waren voor deze tijd.

Met de ontvoogding van de mens neemt de mens zijn leven in eigen hand: God en de beleving van het geloof in zo vele geledingen worden overbodig. Vandaag is de nieuwe mens, een nieuwe maatschappij een feit. Een eeuwenlange evolutie in die richting heeft vandaag een totale vorm gekregen in de westerse wereld.

Resterende religieuze praktijken bij ons zijn eerder een soort folklore geworden, een traditie die vertederend kan zijn, onschadelijk en aanleiding tot feesten en onderling opbod ervan. De bedevaarten zijn sterk toeristisch geworden, de christelijke moraal die betekenis gaf aan doen en laten is ter discussie gesteld (vaak terecht) maar is niet meer beslissend voor de levenswandel van de christenmens in het westen. Een nieuw mensbeeld, een nieuwe maatschappij zijn het resultaat van een cultuurbreuk zoals zelden is gebeurd in de voorbije eeuwen;

Een eerste vraag dringt zich op… Is deze evolutie al of niet positief, heeft zij een positief vooruitzicht, is zij bron van geloof in de toekomst, geeft zij hoop, vertrouwen, moed om te leven en te sterven, geeft zij de mens die nieuwe beloofde waarden ? Een tweede vraagt volgt spontaan… Is het religieuze uitgespeeld, het geloof voorbij? De denkende mens vandaag staat voor een ongekende uitdaging. Wie durft de voorspelling aan?

 

[1] Voor Okegem komen 113 kerkgangers overeen met ongeveer 5,4% van de bevolking (berekend op 2068 inwoners in 2010). De cijfers voor België lopen sterk uiteen en zijn afhankelijk van wat precies gemeten wordt. Het Okegemse gemiddelde ligt in elk geval in de lijn van de 4 à 6% die Marc Hooghe geeft voor de derde zondag van oktober in 2009. in Knack, 4 december, p. 82.