OORLOGSHERINNERINGEN

door Astrid Ancaer

 

Astrid Ancaer zag het levenslicht te Okegem op 4 juni 1928. Toen de oorlog 1940-1945 uitbrak was ze 12 jaar. Ze herinnert zich nog goed hoe de oorlog voor haar en haar familie verliep. Haar ervaringen en herinneringen aan de gebeurtenissen tracht zij zo nauwkeurig mogelijk weer te geven in volgend verhaal.

Ik herinner me nog goed dat enkele dagen na mijn Plechtige Communie, dat was op 5 mei 19401, moeder me vertelde dat het Duitse leger België binnengevallen was. Enkele dagen later vestigden zich Engelse soldaten in de fabriek aan de Dender en op een zeker ogenblik waren wij verplicht enkele soldaten in huis te nemen. Zij kwamen vooraf een kijkje nemen en schreven op de voorgevel van ons huis het aantal te logeren soldaten op.

Na een derde verwittiging om ons huis te verlaten besloten vader en moeder te vertrekken. De familie Pauwels, die in die tijd in de kantfabriek woonden, vertrokken samen met ons op de vlucht. Vader had in die tijd een kruiwagen met houten armen waar men planken kon inschuiven om een bak te vormen. Moeder kon de druk niet aan en was ziek. Ze nam plaats in de kruiwagen waar vader wat stro ingelegd had. Mijn jongste zuster was amper drie jaar oud en kon nog niet zo goed stappen. Vader had op de armen vooraan een plank gelegd waar ze zich kon neerzetten. De kruiwagen was verder gevuld met zoveel mogelijk voedingswaren uit onze voedingswinkel.

Ik herinner me nog goed dat er voor het hof van Van Holder een grote platte wagen klaar stond om te vertrekken en dat Marieke Van Isterdael daarop plaats genomen had met haar wiegje. Ze was pas bevallen van haar zoon Philemon. Aan de overweg van de Kattestraat kwamen we Benoît Vernaillen tegen die zijn koeien naar de weide bracht langs de spoorweg. Benoît sprak ons aan met de woorden die mij altijd bijgebleven zijn

- Wel ga je ook vertrekken? waarop moeder antwoordde "We zijn verplicht". Hij antwoordde daarop: "Ik vertrek in elk geval niet, ik kan thuis ook sterven".

We gingen verder richting Denderhoutem langs de "Kipsteek"2 en zochten onderdak op de Dries bij een neef van moeder. Het was een café (bij Spenne) en beenhouwerij. Tijdens ons verblijf plaatsten de Engelsen een kanon achter de woning. 's Nachts schuilden we in de kelder tussen de bierbakken en vulden onze tijd met bidden. In die tijd hadden de mensen nog een paternoster bij. Moeder vroeg aan vader om toch eens naar huis een kijkje te gaan nemen want we hadden grote en kleine schapen lopen op onze weide. Eens in de Kipsteek aangekomen mocht hij niet verder. Na lang "palaberen" (uitleggen, uitpraten) en het voorleggen van zijn identiteitskaart mocht hij verder richting Okegem

In Okegem was ondertussen het kwaad reeds geschied. Verscheidene mensen waren vermoord. Benoît Vernaillen die klaveren maaide op zijn veld was doodgeschoten, zijn zoon Frans is daar aan de dood ontsnapt. De Vriendt Alfons die met zijn negen kinderen in de kelder zat werd vermoord. Verder lieten Theofiel De Beenhouwer en Petrus Van Hautem het leven3.

Mijn zus die gehuwd was en haar toevlucht had gezocht bij haar schoonouders te Voorde was ondertussen eveneens te Okegem weergekeerd. Ze woonde in de Fonteinstraat. Vader kwam met het verschrikkelijke nieuws terug in Denderhoutem en we besloten verder door de velden richting Oudenaarde te gaan. Met dekens op onze rug kwamen we aan te Leupegem. Omdat moeder ziek was mochten wij overnachten in de schuur van een boerderij. We sliepen in het stro en konden er brood en melk kopen. We konden er amper twee dagen logeren omdat hun familie die uit Limburg gevlucht was daar aankwam. We zochten verder naar onderdak en zo kwamen we terecht in een andere boerderij. We mochten er overnachten in de kelder van een lemen bijgebouwtje waar ze hun ploegen in stalden. Met elf mensen sliepen we op de grond op stro. Er was slechts een klein venstertje van amper 50 cm hoog. De mannen hadden allerhande balken aangebracht om de kelder te ondersteunen. 's Nachts begonnen de kanonnen te schieten en wanneer we door het kleine keldergat keken zagen we niets anders dan vuur. We hoorden de obussen over ons 'zjoeven'. 's Morgens wilden we de deur openen maar die zat vast. De obussen hadden heel wat grond tegen de deur geslingerd.

Twee dagen nadien zijn we terug huiswaarts gekeerd. Langs de Oudenaardsesteenweg lagen koeien en paarden dood in de wei. In de grachten lagen een groot aantal fietsen. Onze terugtocht verliep tussen oprukkende soldaten. Op hun auto’s waren allerhande buitgemaakte zaken bevestigd zoals radio’s, poppen, enz.

In Voorde gekomen bleven moeder en mijn kleine zus bij de schoonouders van mijn oudere zus logeren. Eens thuis aangekomen vonden we in ons huis een echte verwoesting. De matrassen waren met flessen olie, azijn, stroop overgoten. De winkel was geplunderd. Het zout uit de houten bakken en de klompen waren verdwenen, de ruiten waren stuk. We hebben later geen enkele frank schadevergoeding gekregen.

Tijdens de oorlog hebben we nooit honger geleden. We hadden schapen waarvan we de melk boterden en verder bewerkten we land. We konden regelmatig een varken slachten. Toen de aardappelen gerooid dienden te worden was ons veld in één nacht gedeeltelijk geplunderd. Vader besloot dan maar iedere nacht met onze hond een kijkje te gaan nemen. Op een zekere nacht betrapte hij de dieven en onze hond was zo fel te keer gegaan dat vader thuis kwam met een mouw die de hond uit een vest gebeten had en een schoen.

Nadat de aardappelen gerooid waren kwamen veel mensen met hun kinderen 'knollen' dit was met de voeten in de aarde woelen in de hoop nog enkele aardappelen te vinden. Het waren meestal mensen die geen grond bewerkten. Ze hadden het hard te verduren want de aardappelen waren schaars en bijna niet te betalen.

Wanneer het graan geoogst was ging vader naar Iddergem om het te laten malen. Een attest van het gemeentebestuur was daarvoor nodig. Bij Maria van Melle bakten we ons brood en Jef Pauwels hielp ons hierbij.

Al de resten in de winkels werden opgekocht. Iedereen wou wat voorraad. De leveranciers Ruyseveld en Asscherickx uit Denderleeuw bevoorraadden de winkels niet meer. Als winkelier was men verplicht de goederen met kar af te halen. Noodgedwongen moesten we onze winkel sluiten en de rantsoenering kwam in voege. Met zegels konden we brood, suiker en boter aanschaffen. Bij Finneken van Wieze was het aanschuiven geblazen. Ze had een voedingswinkel op de hoek Kouterbaan en Dorp.

Tijdens de gure winter 1941-1942 waren de kolen gerantsoeneerd en kregen we 'slam', dit was een kolenstof met water gemengd. Met veel hout kregen we het in brand.

De rantsoeneringskolen kwamen toe in het station waar Victor Nuyts en Dominique De Boitselier ze wogen en in zakken vulden. Er bleef altijd wat gruis en een kooltje liggen. De mensen kropen over de afsluiting om met een schopje en emmertje de resterende kolen op te scheppen. Dat gebeurde in het donker want de stationschef was er razend kwaad voor.

Op school begon de armoede ook door te wegen bij sommige kinderen. Op een dag had ik een boterham met hesp bij en Juliaken Van der Speeten (van Brierens) vertelde me dat ze nog niet gegeten had. Ik gaf haar mijn boterham en ze nam er het vlees van tussen en zei dat de hesp voor haar vader was.

We kregen iedere dag soep aangeboden, die verdeeld werd door Henri Vernaillen en zijn broer. De soep werd verdeeld in een grote ketel en wij moesten in de rij gaan staan met ons 'kroesken' in de hand.

In de 'hoogste' klas leerde de zuster ons koken maar er waren geen benodigdheden. Ieder kind bracht wat mee, sommige twee aardappelen andere wat smout of bloem.

De kolen voor de verwarming waren ook schaars in de klassen. Bij De Roose vulden we zakken met schavelingen om de kachels te ontsteken. Schoenen waren nauwelijks te krijgen. Maurice Chiau maakte mij van twee lederen handtassen een paar schoenen. Hij had ze zwart geverfd. Ze zaten lekker en ik heb ze gans de oorlog gedragen.

Van koffie was er geen sprake. We dronken 'malt', dit was gebrande gerst. Ons vader oogstte cichoreiwortels die naar de peeënbranderij gebracht werden bij D'Haeseleers in de Fonteinstraat. De rook van het branden bleef in de straat hangen en de geur was soms ondraaglijk.

Ik herinner me nog goed dat de kinderen op straat een liedje zongen toen Marcel Pedé4 sneuvelde aan het Oostfront.

Had Marcel Pedé naar Rusland niet gegaan.

Had hij Belg gebleven dan had hij nog bestaan.

Nu ligt hij ginder in sneeuw en ijs.

Zo ver van huis met zijn Duits lijf.

 

Toen ik te Okegem de laagste klassen beëindigd had volgde ik lessen in de landbouwschool te Pamel. Ik was er bevriend met Maria Van Linthout. Ze hadden een omvangrijke oppervlakte beplant met rode bessen en stekelbessen. Ik kon er helpen plukken voor 50 fr. in de week. Op een bepaald ogenblik gingen we samen naar de kermis te Pamel. Ik was er getuige dat de jonge mannen opgepakt werden door de Gestapo. Er was een vader die zijn jongen zag vertrekken. Hij riep dat hij hem nodig had om op het veld te werken maar tevergeefs.

Er was 's avonds bal in de zaal bij Fever. De Gestapo viel er ook binnen. De jonge mannen sprongen uit de vensters en vluchtten de velden in. Het was de Gestapo van Appelterre, de 'kletters' genaamd. Eén van hen is later doodgeschoten.

Mijn zussen die in de Louisalaan te Brussel werkten waren eveneens bedreigd. Er mocht maar één meisje werken in een gezin. De anderen waren verplicht naar Duitsland te gaan werken. Om daar aan te ontsnappen is mijn zus terug in Okegem komen wonen.

Mijn oudste zus Valentine woonde te Merksem. Het was er levensgevaarlijk. Ze was in verwachting en is bij ons thuis komen inwonen. Ze is bevallen te Ninove maar haar kindje heeft maar drie maanden geleefd. Het was het zoveelste slachtoffertje van de oorlog.

In het jaar 1942-1943 hoorde mijn moeder 's avonds beweging rond ons huis. Een vrouw stond op de uitkijk en een paar mannen kwamen bij haar en vertelden dat het een zware karwei geweest was, maar het was voor het vaderland. Ze kwamen uit Eversem vertelde moeder ons 's morgens. Dezelfde dag las de veldwachter op de grote steen voor de kerkhofmuur het bericht voor dat er in de nacht van zaterdag op zondag een goederentrein ontspoord was5. Een heel eskadron van het Duitse leger met hun oorlogsmateriaal lag in de bossen. Er waren veel gewonden. Ik ben een kijkje gaan nemen. De mensen waren bang voor de sancties die er zouden getroffen worden maar gelukkig is het zo ver niet gekomen.

Op Ledeberg te Pamel hadden de Duitsers luchtafweergeschut geplaatst. Iedere maal toen ze schoten naar de vliegtuigen was er een grote vlek te zien in de lucht. De brokstukken kwamen tot op onze koer terecht. We waren bang. Patrice De Schepper reed iedere dag 's middags voorbij ons huis om thuis te gaan eten. Op een bepaalde dag sprong hij van zijn fiets, wierp hem tegen de zijgevel van ons huis en stormde langs de achterdeur binnen. Bevend van schrik riep hij "Waar is de kelder?", waarop vader de valdeur van onze kelder opendeed. Hij vluchtte de kelder in en riep waarom wij niet kwamen. Vader, die De Schepper kende, ze hadden namelijk samen school gelopen te Pamel, antwoordde: "Heb je zo veel kwaad uitgericht, dat ge bang zijt van sterven?" Dat zinde Patrice niet.

Op een morgen kregen we controleurs over de vloer. We waren tot tweemaal aangeklaagd voor sluikslachting. Ze keerden heel ons huis ondersteboven. Ze inspecteerden ook de houten kuip met pekel waarin het varken had gelegen dat we met een vergunning geslacht hadden. Moeder zei dat al wat er in lag voor hen was. Er lag nog enkel een grote steen in de kuip die het vlees op zijn plaats moest houden.

Toen de oorlog eindigde kwam de Witte Brigade buiten. Sommige leden hebben wraak genomen op mensen die anderen getergd hadden. Ik was toeschouwer toen het haar van twee vrouwen werd afgesneden en er meubelen werden verbrand op het dorp.

 


 

1  Vanaf 1939 was de Plechtige Communie op de zesde zondag na Pasen. Voordien was het op Passiezondag 14 dagen voor Pasen.

2  Kipsteeek is de naam van een beek die de vallei volgt en plots door de vlakte snijdt om langs een andere helling in een andere richting te lopen op Ninoofs grondgebied. Vanuit Okegem bereikte men de Kipsteek als men de Aalstersesteenweg overstak en zo langs een veldwegel de beek bereikte en verder in Denderhoutem uitkwam. H. Van Gassen geeft in zijn Geschiedenis van Ninove, deel 1 p. 15 de woordverklaring van Kipsteek. Kip = kerf, insnijding door de vlakte – steek = doorsteek

3  VAN DER SPEETEN Jozef, Okegem en Okegemnaars in W.O.II. de Oorlogsslachtoffers, in: Mededelingen Heemkring Okegem, 16e jaargang 1991, nr. 1.

4  Marcel Pedé was de zoon van Jozef en Victorina Rijdant. Zij woonden in de Fonteinstraat. Volgens de tekst van het bidprentje werd hij geboren te Liedekerke op 17 september 1919 en is hij gevallen aan het Oostfront op 4 december 1941 als soldaat van het Vlaams Legioen dat streed voor vrijwaring van het geloof in ons christelijk Vlaanderen.

5  Wapen- en munitietrein gesaboteerd door het verzet, in: Mededelingen Heemkring Okegem, 30ste jaargang, 2005, p. 46-47.