GESCHIL ANNO 1644 OVER HET KOSTERSCHAP VAN OKEGEM

Herman VAN ISTERDAEL

 

Soms speelt toeval een grote rol in het ontdekken van historische gegevens over Okegem. Zo was ik op zoek naar een akte in de registers van akten en contracten1 van de voormalige schepenbank van Liedekerke-Denderleeuw toen ik stootte op een akte met volgende inhoud. Op 14 maart 1644 verschijnt Adriaen Vernaelden, inwoner van Okegem, voor de leenmannen van het Leenhof van de Burcht en het Kasteel van Liedekerke en Denderleeuw om een klacht in te trekken. Het ging om een klacht bij de Raad van Vlaanderen, het hoogste rechtshof in toenmalig Vlaanderen. Waarover ging de zaak. Kort gezegd: op 5 maart 1644 diende procureur Coolman in naam van Adriaen Vernaelden te Gent een klacht in tegen Jan Cortvrint, baljuw van Okegem, wegens een onrechtmatige gevangenneming én tegen zijn eigen broer Joos Vernaelden omdat beiden hem verhinderden zijn functie van koster en schoolmeester te Okegem te bedienen.

Zoals steeds roept dergelijk stuk meer vragen op dan we kunnen beantwoorden maar de omstandigheden die leidden tot het indienen van de klacht zijn min of meer beschreven. En uiteraard kennen we hier enkel de versie van de klager.

Adriaen Vernaelden noemt zichzelf koster van Okegem. Volgens zijn schrijven werd hij aangesteld door de pastoor, de meier, schepenen en inwoners van Okegem na het overlijden van zijn vader Gysbrecht Vernaelden, zes jaar eerder. Hij bediende het ambt naar ieders tevredenheid en werd op 19 februari 1644 opnieuw bevestigd in zijn functie door pastoor, meier, burgemeester, schepenen en voornaamste inwoners van Okegem. Nochtans poogde zijn broer Joos Vernaelden het kosterschap en de functie van schoolmeester over te nemen en de bijhorende inkomsten te ontvangen. Joos Vernaelden had duidelijk de baljuw Jan Cortvrint, de vertegenwoordiger van de Vrouw van Okegem én bij wijze van spreken politiecommissaris van Okegem, aan zijn zijde. Deze stuurde zijn assistenten officieren, in huidig taalgebruik zijn veldwachters, af op Adriaen en liet hem vastzetten in de herberg van Joos Waegheman te Okegem. Hij werd er bedreigd met opsluiting in de gevangenis van de burcht van Liedekerke, een waar schrikbeeld en een plaats waar zware criminelen werden opgesloten, indien hij geen afstand deed van de kosterij en schoolmeesterschap. Adriaen Vernaillen weigerde en diende zoals hoger gezegd klacht in.

Aan wat op het eerste zicht een familietwist is over de opvolging van hun vader ligt mijns inziens een ander conflict aan de basis namelijk het benoemingsrecht van de koster. De dorpsgemeenschap tegen Glaude van Boussu, Vrouw van Okegem die trouwens pas op 23 juli 1638 Vrouw van Okegem geworden was. Gijsbrecht Vernaillen overleed op 24 juni 1637 en de opvolger werd volgens gewoonte benoemd door pastoor, meier en schepenen. Vermoedelijk eiste de Vrouw van Okegem via haar baljuw het benoemingsrecht op en benoemde ze Joos Vernaillen in de functie.

Het geschil eindigde waarschijnlijk met een overeenkomst waardoor beide broers de functie bedienden en de inkomsten deelden. De andere bronnen die ons daarover kunnen inlichten geven echter geen duidelijk antwoord. Bij de inzegening van 9 huwelijken tussen april 1644 en mei 1647 is Joos Vernaillen drie keer getuige en Adriaen Vernaillen twee maal. Adriaen kreeg in 1644-1645 een vergoeding voor het lesgeven aan kinderen van minvermogende ouders. Lang heeft dit gedeeld kosterschap in elk geval niet geduurd. Adriaen Vernaillen overleed in augustus of september 1647 en zijn broer Joos werd enige koster-schoolmeester.


 

1  Rijksarchief Leuven, Gemeentelijk Oud Archief Liedekerke-Denderleeuw nr. 205 folio 268.