DE MUZIEK VANAF 1945: EEN VERHAAL VAN GARAGESTUDIO'S EN BIETELMUZIEK

Patrick Praet

 

De naoorlogse periode kenmerkte zich door diepgaande maatschappelijke veranderingen. Vroegere culturele, wetenschappelijke en sociaal-economische ontwikkelingen kwamen ondanks (of misschien dankzij?) de oorlogsjaren in een stroomversnelling. Oudere mensen keken ernaar met verbazing maar namen uiteindelijk gretig deel aan de welvaartsboom van de silver fifties en golden sixties. In wezen hanteerden zij echter nog steeds het arbeidsethos van vroeger. Materiële welvaart was voor hen het gevolg van noeste arbeid. Anders was het met de naoorlogse generatie. Voor de jongeren was welvaart even vanzelfsprekend als vrije tijd en ontspanning. Een leven onder de beschermende vleugels van ouders, school of Kerk vonden zij verstikkend. Sommigen engageerden zich in de verschillende contestatiebewegingen, anderen vonden bij leeftijdgenoten gemeenschappelijke interesses waaronder de muziek. Aangezien de (groot)ouders de neus ophaalden voor de ‘wilde muziek’ zoals rock en pop en nog steeds de voorkeur gaven aan volksdeuntjes werden deze nieuwe muziekgenres voor de jeugd precies een manier om te rebelleren tegen hun ouders. Tot grote ergernis van de goegemeente imiteerde men ook de outfit en het kapsel van de nieuwe idolen. Niet toevallig omschreef men iemand met lang en slordig haar dan ook als ‘nen bietel’ (het haar van de Beatles).

De muziekbeleving kende tijdens de vorige eeuw in Vlaanderen een merkwaardige paradox. Vóór de oorlog bleef het muzikale spectrum – met uitzondering van de klassieke muziek – beperkt tot volksliedjes, instrumentale muziek en enkele meezingers. Niettemin was muziek sterk verankerd in het dagelijks leven: thuis, op straat, op café of in de vereniging werd er stevig gezongen. Na 1945 krijgt men net het omgekeerde. Men hoorde steeds minder de mensen samen zingen. Maar tegelijk werd muziek gepopulariseerd. Het werd niet alleen een bron van amusement, maar ook een geliefkoosd object van commercialisering én een statement voor de nieuwe generatie.

De bevrijdingsjaren (1944-1945) worden muzikaal vaak geassocieerd met de instrumentale amusementsmuziek van de grote orkesten (bijvoorbeeld van Benny Goodman en Steve Miller). Alhoewel door de opkomst van nieuwe muziekgenres de swing snel over zijn hoogtepunt heen was, bleef deze instrumentale muziek in België bij een ouder publiek nog lange tijd zeer populair. Wél werden hierin andere elementen geïntegreerd: jazz (met cool jazz en bebop als afgeleiden), tango, rumba, samba,. Het bood inspiratie aan de grote populaire orkesten die toen ontstonden (één van de weinige die deze tijd heeft overleefd is dat van James Last). In eigen land waren er de ensembles van onder andere Francis Bay, Eddie De Latte, Henri Seghers,... Maar in het circuit van danszalen, wijkkermissen, buurtbioscopen en volksbals waren er nog talloze plaatselijke (en onbekende) groepjes actief. Jongeren kregen op deze plaatsen van amusement de smaak van het dansen te pakken en ontdekten er de smaak van nieuwe ritmes. Meestal waren deze afkomstig uit de Verenigde Staten: rythm & blues, country & western, rock’n roll, zonder nog te spreken van de love-ballads van Frank Sinatra, Bill Crosby en andere ‘Orbisons’. Dit laatste genre kreeg bij ons navolging in de charmeliedjes van Will Tura, Ray Franky, Jean Walter, La Esterella, Bob Benny, Will Ferdy, Velen probeerden in de voetsporen van deze voorbeelden te treden, doch meestal tevergeefs.

De jaren 1950-1960 betekenden een totale ommekeer in de muziek. De doorbraak van de pop (popular music) was niet alleen revolutionair, maar zorgde ook voor een totale versplintering van de muziek in verschillende genres. Het meest tot de verbeelding sprak ongetwijfeld de rock-‘n-roll. Muziekhistorici verschillen van mening over het ontstaan van deze aanstekelijke muziek, maar voor elke Belg begint de rock-‘n-roll met Rock around the clock van Bill Haley en zijn Comets (1954). Deze superhit bleef nog jaren razend populair en zorgde ook bij ons voor halsbrekende toeren op de dansvloeren. Daarnaast was er de onvermijdelijke Elvis Presley wiens populariteit reeds tijdens de jaren 1950 hysterische vormen aannam. Zijn faam was helemaal verzekerd na zijn bezoek aan België in 1956. Zo leerde het land ook het fenomeen van gillende fans kennen die in zwijm vallen bij het zien van de wiegende heupen van hun idool. Het sensuele karakter van de rock sloot perfect aan bij de seksuele revolutie van die tijd. Hét materiële symbool van de nieuwe muziek werd de jukebox in vele cafés en danszalen. Jukeboxen waren al langer bekend, maar werden in België zo populair dat ons land tussen 1953 en 1956 de grootste afnemer van deze Amerikaanse toestellen werd .

Tijdens de jaren 1960 was het hoogtepunt van de zuivere rock’n-roll eigenlijk al voorbij. Een nieuw genre was niet meer dan een modegril, een trend van korte duur, vaak niet meer dan het product van één auteur. Stijlen vloeiden in elkaar tot een eenheidsworst: popmuziek waar iedere auteur zijn/haar eigen accenten legde. Toch was deze pop in grote mate schatplichtig aan de rock. Het leidde tot de doorbraak van grote groepen en zangers die vandaag nog steeds als ijkpunten in de muziekgeschiedenis gelden: The Beatles, The Rolling Stones, The Pebbles, The Kinks, Pink Floyd, Mick Jagger, De meesten van hen deden tijdens hun tournees ook België aan en zorgden net als bij het bezoek van Elvis voor het nodige enthousiasme bij de jeugd. Men maakte ook kennis met het festivalfenomeen. Zo was er in 1965 Jazz-Bilzen dat nog jaren de liefhebbers van jazz en blues zou bekoren.

De grote idolen kregen echter vooral hun bekendheid dank zij de commercialisering van hun muziek. De platenindustrie had zich tot goed een gemanagede sector ontwikkeld. De 78- en latere 45-toerenplaten werden voor ieders beurs betaalbaar, net als de benodigde platenspeler of pick-up. De radiostations speelden in op de nieuwe smaak en stelden op basis van de platenverkoop elke week een nieuwe hitparade op. Door de opkomst van de goedkope transistor was het voor de jongere niet langer nodig om te luisteren naar het schlagerfestival van de ouders beneden in de huiskamer. De kleine transistor kon men immers meenemen naar buiten bij de vrienden of naar de privacy van de eigen kamer. De cassetteradio liet toe om de geliefkoosde muziek op een kleine luistercassette op te nemen, een enorme vooruitgang tegenover de grote spoelen op de bandrecorder.

Naast de muziek met rock-, pop- of jazz-elementen ontwikkelden zich nog tal van andere genres. Zo was er het chanson met de grote Franse voorbeelden zoals Juliette Greco, Gilbert Bécaud of Charles Brassens. In België bereikte Jacques Brel een hoogstaand internationaal niveau. Voor sommige jongeren moest muziek meer zijn dan een financiële melkkoe, zij moest ook een boodschap uitdragen. Meer nog, zij moest contesteren en maatschappelijke wantoestanden aanklagen. Lang vóór het revoltejaar 1968 zongen Miel Cools, Jules De Corte en Boudewijn de Groot over een betere wereld. Deze kleinkunstmuziek viel vooral in de smaak bij een jong, geëngageerd en vooral geschoold publiek. Ongetwijfeld sijpelden deze invloeden ook door in muziek van de beginnende groepjes in Vlaanderen.

Toch bleef muziek voor de meeste tieners vanuit maatschappelijk oogpunt eerder vrijblijvend. Voor velen was het de ultieme droom om zich net als hun grote idolen vanuit de repetitieruimte in de garage thuis op te werken naar de grote internationale studio’s. Velen voelden zich geroepen, weinigen werden uitverkoren. Ook in Okegem waagden velen hun kans, met wisselend succes...