Een Okegems dialectwoordenboek  - Aankondiging en voorpublicatie

 

In het najaar van 2006 geven Heemkring en Davidsfonds van Okegem een uniek boek uit over het Okegems dialect: Azzoeë gezeid. Een inleiding tot het Okegems dialect. Deze onmisbare publicatie is het resultaat van jaren verzamelwerk door Jozef Van der Speeten. Hij sprokkelde meer dan 3000 Okegemse woorden en ca. 400 typische uitdrukkingen bij elkaar. Kunstenaar en volkszanger Rufijn De Decker illustreert het boek met enkele rake cartoons en Patrick Praet verzorgt de eindredactie.

Azzoë gezeid wordt voorgesteld op zondag 19 november 2006 om 10.30 uur in het Buurthuis. De kostprijs bedraagt 15 euro, maar wie intekent vóór 1 oktober ontvangt het boek aan 12 euro. De verzendingskosten bedragen 3 euro. De namen van alle vóórintekenaars worden achteraan in het boek opgenomen. Alle verdere gegevens en de inschrijvingsmodaliteiten zijn terug te vinden in de bijgevoegde promotiefolder.

Om u een idee te geven van de inhoud van het boek krijgt u in dit nummer reeds een gedeeltelijke voorpublicatie van het dialectwoordenboek. We kozen voor twee fragmenten: een reeks uitdrukkingen met typische Okegemse levenswijsheid en een bladzijde uit de woordenlijst.

 

Uit de rubriek “huwelijk en gezin”

afkrabbeling van de moeilje: gezegd van de laatste van een reeks kinderen in een gezin

augetraad és augescheten: een aangetrouwde heeft weinig te zeggen bij de familie

bastaut mauken: iemand onterven, niet laten delen in wat geschonken wordt

ooët ’t bérre klappen: vertellen uit het intiemste huwelijksleven

z’émmen al goed elen devoeëren gedaun: gezegd van een gezin dat veel kinderen heeft in relatief korte tijd

e és tegen zén gedacht getraad: hij is niet met volle toestemming getrouwd

t és en schoeën gerief mau ge meeg ‘et nie in ooës emmen: smalend gezegd door mannen over een vrouw (of omgekeerd)

z’és over d’(h)alf deer getraad: ze woont al samen maar is nog niet getrouwd

in ’t kasken (h)angen: in het kastje (van de aankondigingen) hangen, in ondertrouw zijn

t és van moetens: gezegd wanneer een koppel moet trouwen wegens een voorhuwelijkse zwangerschap

e és tot over zén oeëren getraad: hij heeft zijn meesteres gevonden

z’és aun ’t spauren: ze is in blijde verwachting

de spelemaan zitj nog op ’t dék: ze zijn nog in de wittebroodsweken, ze hebben nog geen zorgen

op speelvwaozje: op huwelijksreis

speivers zén bleivers: gezegd van kinderen die veel overgegeven hebben maar die toch goed opgegroeid zijn

e èèt vogelschoiët: gezegd van een pasgetrouwd iemand die er maar bleekjes uitzien

e woenjt in de vraamieësterstraut: hij ligt onder de slof bij zijn vrouw

t és dau stommen ambacht: gezegd van een koppel dat niet met mekaar spreekt

't ès dau lep(pe)saas: ze spreken niet tegen mekaar

ze doen dau goe voesj: ook gezegd van een koppel dat regelmatig aan gezinsuitbreiding doet

 

Uit de letter f

faat – fout, schuld; zonder faat (in ieder geval)

fabbrieën (Fr.: favoris) – bakkebaarden

faffoel(jeken) – opschepper, windhaan, aanstellerig persoon

fakkein (Fr.: façonnier : iemand die zich gekunsteld gedraagt) – 1. snob – 2. druktemaker

fakteer [fakteur] (Fr.: facteur) – postbode, brievenbesteller

fars (Fr.: farce) – 1. (bn.) vrank; e és nogal fars (hij is nogal grappig, vrijpostig) – 2. (zn.) grap; ‘k ooë daur en fars veren (ik had daar nogal iets voor)

farseer (Fr.: farceur) – grappenmaker

fas (nekspier) – (uitdr.) ’t fas af (de nekspieren zijn gebroken met de dood tot gevolg)

 

faur (Fr.: fort) – specialiteit ; da’s zénne faur (daar is hij sterk in)

fazjaulen (gefazjauld) – fezelen, prevelen, fluisteren

fedok – leperd, onbetrouwbaar persoon. De naam verwijst naar het hoofdpersonage van een populaire politieroman omstreeks 1920. Vidocq was een avontuurlijk politie-inspecteur die nauwe banden met het misdaadmilieu onderhield.

fél – mooi, goed gevormd; ’t és en félle mokke

fernét – 1. wispelturig, ondeugend kind – 2. mooi meisje

fetrék (lett.: vertrek) – W.C.; é zitj op ’t fetrék

feuter (Fr.: feutre) – vilt

fieër – fier

fieërkont (lett.: een fiere kont) – een vrouw die vooral begaan is met haar uiterlijk, een “modepop”

fikfakkelderoië (afg.: fikfakken) – 1. gebeuzel – 2. gepruts, gestoei

filloe (Fr.: filou) – 1. geslepen persoon – 2. schurk

fiolét (Fr.: violette) – 1. troetelnaam bij begroeting van een meisje – 2. opgedirkte vrouw – 3. viooltje (bloem)

firmammént – 1. firmament – 2. (uitdr.) mé gieël eer firmamént bloeët (met heel haar onderlichaam bloot)

flaa – flauw, flets

flabeskieët (lett.: flauw bescheid) – onnozel iemand, iemand die zich flauw voordoet

flambie (Fr.: flambeau) – flambeeuw, een kaars die in een processie wordt meegedragen

flate – flauwte

flaven (flaaën) – 1. iemand die flauw praat – 2. iemand die niet tegen een stootje kan

flebit (flebitis) – aderonsteking