Gaffels en distelschopjes in een andere betekenis1

Herman Brantegem

 

We kennen allemaal de gaffel en het distelschopje als landbouwinstrument. Sommige voorwerpen hebben zowel een functionele als een symbolische betekenis. De gaffel en het distelschopje zijn hier voorbeelden van. Deze bijdrage handelt over deze werktuigen in beide betekenissen.

 

De hooigaffel diende om het hooi te keren nadat het gras was gemaaid met de zeis. Langs de bermen gebruikte men de sikkel. Later kwam de maaibalk, een soort pikmachine.

De primitieve gaffel was een lange stok waarvan het vertakte uiteinde afgeknot was tot een vork. Later werkte men met een stalen gaffel.

Hooi diende droog te zijn om geen zelfontbranding en geen schimmel te hebben. Ook in het hooi keren kwam er een evolutie. Dat gebeurde met een “hooikeerder” door een paard getrokken. Het was een machine met draaiende rieken en deze machine keerde het gras om en men kon er ook het gras mee bijeenkeren.

Wanneer alles droog was, werd het hooi met een ijzeren gaffel omhoog gestoken. Later kwam de “hooipers” en nu heden ten dage zijn het “hooirollers” die het werk doen

Het hooi werd binnengehaald met de hooiwagen en het werd getast boven de koestal. De gaffel was hier duidelijk een functioneel agrarisch instrument.

Het gaffeltje was het symbool van de “pachter” (herenboer). Het was in het dorp een zinnebeeld van voornaamheid en gezag. Suzanne Van der Speeten herinnert zich nog uit haar jeugdjaren dat oud-burgemeester Jan Van den Berghe dergelijk gaffeltje bij zich had wanneer hij zich in het dorp verplaatste. Het was kleiner dan een hooigaffel en een bol deed dienst als een handvat.

Wij vonden dergelijk gaffeltje in privébezit te Okegem. Het zou afkomstig zijn van de familie Van den Berghe-Covens. De familie Covens was afkomstig uit het Brabantse en was een familie met aanzien. Jan Van den Berghe was verwant met de familie via zijn moeder. Jan (1861-1958), bijgenaamd “den blak” was veertig jaar burgemeester te Okegem en was eigenaar van een groot landbouwbedrijf met dienstpersoneel rechts gevestigd van de kerk (nu Idevoordelaan).

Het gaffeltje is 118 cm lang en bestaat uit twee delen: de stok en de gaffel zelf.

De stok is van eik, bovenaan versmallend en eindigend in een appelvormige bol. Bovenaan bij de versmalling zijn zes versieringen (ringen in het hout aangebracht). De afstand tussen de ringen is 1 cm.

De gaffel is 11,5 cm lang in ijzer en bevestigd midden in de houten stok. Een ijzeren ring voorkomt dat het houtwerk zou opensplijten. De breedte tussen de gaffelpunten bedraagt 7 cm. De beide punten van de gaffel zijn licht naar voor gebogen wat hem nog eleganter maakt en zijn licht beschadigd wat er op wijst dat het een status symboolgaffel is. Hij zou uit de 19e eeuw zijn en volgens mondelinge overleving van de familie Covens zijn.

De ovengaffel, een korttandige gaffel met een lange ijzeren huls en een houten steel had alleen een functioneel gebruik. Hij diende om de mutsaards in de oven te spreiden.

Oorspronkelijk droeg de postbode (facteur of “den boy”) een sabel zoals een officier. Het Ministerieel besluit van 13 mei 1852 van Minister van Openbare Werken Van Hoorebeke bepaalde dat de postbode voortaan een stok met twee tanden moest dragen en daarmee zijn we bij de facteursgaffel.

Dit facteursgaffeltje had verschillende functies: de ongewenste honden op afstand houden, zware pakjes over de schouders te dragen en tenslotte diende het als wandelstok.

Tot dezelfde statussymbolen behoort het distelschupje, al dan niet met initialen. De officiële benaming was distelsteker en diende om de distels te vernietigen op de akkers.

De distelsteker bestond uit een houten steel en een ijzeren afsteekmes.

De eigenaar nam het distelschupje mee als hij naar zijn landerijen trok om toezicht op het werk te houden en ook als hij zondags naar zijn velden ging wandelen.

Op het hof Hazeleer vonden we dergelijk schupje. De steel ontbrak.

De wandelstokken van de rijke burgers, de paraplu’s van de pastoors en de parasols van de rijke dames waren voor hen een statussymbool. Het gaffeltje en het distelschopje waren het statussymbool van de boeren.


 

1  Als basis voor deze bijdrage gebruikten we: VANNOPPEN Henri, Het verhaal van gaffels distelschopjes en herdersstaven in Vlaanderen, in: Ons Heem, driemaandelijks tijdschrift, jaargang 58, 2005, nr. 2.