CLEMENS VAN DEN SPIEGEL IS 100 JAAR OUD

Jozef Van der Speeten

 

Twintig jaar geleden, in 1983, verscheen in het tijdschrift van de Heemkundige kring van Okegem een bijdrage over de mandenmakerij te Okegem. Toen was Clemens reeds een flinke tachtiger die kon terugblikken op een leven van hard werken. Hij genoot op dat ogenblik reeds vele jaren van een welverdiend pensioen en kon zich rustig kon bezighouden met zijn hobby's.

Op 9 januari 2003 is Clemens 100 jaar geworden en hij heeft nog niet veel van zijn vitaliteit verloren. Bij mijn bezoek aan de eeuweling, waar ik hem in naam van Heemkundige kring hartelijk feliciteerde en hem nog vele heerlijke jaren toewenste, vond ik hem kaarsrecht gezeten in zijn zetel met de klassieke pet of muts op het hoofd. Wij kwamen echter niet tot een echt vlot gesprek omdat hij wat hardhorig is. Gelukkig was er zijn zoon George, vaders toeverlaat, die me heel wat wist te vertellen over het leven van zijn vader. In deze bijdrage brengen we u een beknopte levensschets van onze eeuweling.

In 1905 kwam Constant Van den Spiegel (geboren 1877), gehuwd met Virginie Staels (geboren 1875) zich te Okegem als mandenmaker vestigen. Hij was afkomstig van Ninove-Bakergem, stamde uit een groot gezin (zes jongens en twee meisjes) en had het beroep van zijn vader geleerd. Hij verkoos Okegem omdat er een station en goederenmagazijn was vanwaar hij zijn afgewerkte producten kon laten wegbrengen naar de winkels en grote magazijnen.

Het gezin had toen reeds twee kinderen: Achilles (geboren 1901) en Clemens (geboren 1903).

Het gezin vestigde zich op de Dorpplaats in een huis dat gebouwd was op de grondvesten van de stallingen van het oude hof van de Van Havermaetes. Dit huis nr. 44 is nu bewoond door Richard Vleesschouwer.

Die woning, waarin tevens herberg gehouden werd, was niet zo geschikt voor het uitoefenen van zijn beroep, het had een kleine werkplaats en er was geen tuin waarin hij de wijmen kon plaatsen en bewerken. Zijn werkplaats bevond zich op de zolder, maar bij gunstig weer installeerde hij zich buiten voor het huis om manden te vlechten. Die woonst was dus geen ideale plek voor zijn twee zoontjes. Gelukkig was de zusterschool in de buurt, waar Achilles en Clemens heen gebracht werden. In die school konden de jongens de "bewaarschool" (kleuterschool) doorlopen en mochten ook in het eerste leerjaar van de lagere school blijven tot ze hun Eerste Communie deden. Clemens herinnerde zich de namen niet meer bij wie hij in de klas "gezeten" had. Waarschijnlijk bracht zuster Catherine hem de grondbeginselen van het lezen en rekenen bij.

Op 1 oktober 1911 mocht Clemens naar de gemeenteschool waar toen alleen jongens de lessen volgden. Op dat ogenblik was het een éénklassige school waar alle leerlingen in één en hetzelfde lokaal onderwijs kregen.

Die klas werd gehouden door meester Cyriel De Neve, die in 1896 benoemd was als onderwijzer en schoolhoofd. Hij woonde met zijn gezin in het grote schoolhuis. Misschien verwondert het u dat het schooljaar toen pas op 1 oktober begon. De zomervakantie duurde vóór de Eerste Wereldoorlog slechts 1 maand nl. tijdens de maand september en er bestond toen nog geen leer- of schoolplicht.

In 1911 kocht Constant Van den Spiegel een perceel land, met een grootte van 28 aren 70 ca, van het "Bureel van Weldadigheid" (het huidige O.C.M.W.) gelegen op het Kouterken. Hierop liet hij een woonhuis en een werkhuis bouwen waar hij in 1912 introk. Het gezin beschikte daar over heel wat meer ruimte dan op de Dorpplaats en er was ook een grote tuin waar hij de wijmen (wissen) kon opslaan vóór de bewerking. In die tuin konden de twee jongens zich uitleven voor zover ze niet moesten meehelpen. In een deel van het woonhuis werd ook herberg gehouden en dit tot na de Eerste Wereldoorlog.

We moeten ons de toenmalige Kouterbaan heel anders voorstellen dan de huidige wat de bestrating en de bebouwing betreft. Omstreeks 1890 werd het deel van de Kouterbaan van de Dorpplaats tot aan de school over een breedte van circa 3 meter gekasseid en het overige deel van de weg van de school tot aan "Het Spoeltjen" werd met grind bedekt. Tijdens het bestuur van burgemeester Van Isterdael (1921-1926) werd de kasseiweg hersteld en pas in 1927 werd de grindweg over een breedte van 3 meter gekasseid.

Langs de Kouterbaan stond vanaf de school tot het huis van de familie Van Waeyenberg geen enkel huis. Constant was de eerste die daar een woning met werkplaats bouwde. Zijn naaste buren waren Edward Bourgeois (Waar Tobie), Adolf Snoeck en meester De Neve. De gebroeders Van den Spiegel moesten zich niet ver verplaatsen om naar de gemeenteschool te gaan.

Op 30 augustus 1913 verliet Clemens de gemeenteschool en zijn vader stuurde hem naar het derde leerjaar van de Lagere School van de Staatsmiddelbare School te Ninove (toen beter gekend als de "Ecole Moyenne"). Daar kwam hij in contact met leerlingen van Ninove en omliggende gemeenten. In die school doorliep hij alle klassen tot en met het zesde leerjaar dat in augustus 1917 eindigde. Clemens en zijn broer Achilles zijn bijna heel de duur van de Eerste Wereldoorlog in moeilijke omstandigheden naar school geweest en legden de weg naar school te voet af. Tijdens de verlofdagen en vakantieperiodes moesten ze ook thuis meewerken. Vader Constant kon gelukkig rekenen op de hulp van zijn broer Edmond en op Francis De Schrijver zodat hijzelf zijn afgewerkte producten aan de man kon brengen.

Clemens deed zijn Plechtige Communie te Okegem in 1914. Er waren toen 31 communicanten: zestien jongens en vijftien meisjes. Hij werd te Ninove gevormd op 17 juni 1917 samen met de communicanten van 1914-1915-1916 en 1917.

Van 1917 tot 1923 leerde Clemens alle knepen van het vak en blonk vooral uit in het vervaardigen van manden en korven.

Hoe ging de mandenmaker te werk? (zie foto).

Bij het vervaardigen van manden zat de mandenmaker op een houten plank of stoel met beide benen opgetrokken waar tussen de mand of korf bewerkt werd. Bij zijn werk had hij volgende werktuigen nodig: een kliever of wissesplijter, een klopper of slagijzer, een maatstok, een priem, een steekmes en een tangetje. Al dat materiaal lag natuurlijk bij de hand zodat hij zich niet moest verplaatsen.

In 1923 werd Clemens onder de wapens geroepen en vervulde zijn militaire dienst bij het bezettingsleger dat in Duitsland gelegerd was. In 1923 nam Frankrijk het besluit om op eigen houtje het Duitse Ruhrgebied te bezetten omdat Duitsland bij de uitvoering van herstelbetalingen in gebreke bleef. De Belgische regering verkoos in gezelschap van Frankrijk aan de militaire bezetting deel te nemen omdat ons land zeer geïnteresseerd was aan de Duitse herstelbetalingen. Het Belgische bezettingsleger was zevenduizend man sterk. De Duitse regering die het optreden van Frankrijk en België als een schending van het Volkenrecht bestempelde nam haar toevlucht tot een passieve weerstand, wat ten slotte tot een uitzichtloze strijd voor beide partijen leidde1.

Nadat hij in 1924 afzwaaide van de legerdienst kon hij terug aan de slag in het bedrijf want er was heel wat te doen. Vader Constant had in 1922 een wijmenier laten aanleggen op een perceel weide aan de Broekstraat met een grootte van twee hectare. Nadat die weide omgespit was werd een hele partij "stekelingen" (afgesneden takjes van wilgen) in de grond gestoken om er nieuwe wissestruiken uit te laten groeien. De jonge scheuten die zich op de stekken vormden werden elk jaar met de sikkel afgesneden. Aldus waren de stekken na enkele jaren uitgegroeid tot stronken, waarop de wijmen elk jaar opnieuw welig groeiden. Traditiegetrouw werd half november begonnen met het afsnijden van de wijmen, een werk dat soms een hele winter in beslag nam.

Tussen de beide wereldoorlogen werd niet veel meer gevlochten in het werkhuis op de Kouterbaan. In 1923 werd aan het woonhuis een groot magazijn gebouwd. Zo kon de mandenmakerij uitgroeien tot een groothandel in wissen en vlechtwerk. Zijn broer Achilles fungeerde als handelsreiziger die heel het land met de fiets en moto doorkruiste. In het werkhuis vervaardigden Constant en Clemens echter nog fruit-, aardappel- en wasmanden.

Maar er was niet alleen de mandenmakerij, er was ook nog een heel ander werk te doen. Vader Constant had in 1921-1922 drie percelen land, gelegen op "Winterdael" gekocht van het Bureel van Weldadigheid die samen 50 à 60 ca groot waren. Hij liet een deel van de grond tot kareelstenen "vormen" en legde een veldoven aan waar die "vormen" tot bakstenen gebrand werden. Voor zo'n werk waren natuurlijk veel handen nodig en de Van den Spiegels sprongen bij als het nodig was. Op die uitgevormde percelen werden in de tweede helft van de twintiger jaren een zevental huizen gebouwd die er nu nog staan langs de Leopoldstraat beginnend vanaf de Bosstraat (Hofstad).

Clemens had ook een hobby: hij werd een duivenmelker in hart en nieren. In 1924 was hij reeds lid van de Duivenmaatschappij Denderbond, die gevestigd was in het café gehouden door weduwe Van Opdenbosch, Statieplein te Ninove. Die bond was aangesloten bij de Belgische Duivenliefhebbersbond die aanvaard was door de Minister van Landsverdediging. Bij uitvoering van de wet van 24 juli 1923 art. 1 en 2 moest de maatschappij toelating vragen aan de burgemeester of haar leden duiven mochten houden.

Op de lijst, opgemaakt in 1924, zijn 69 Okegemnaars vermeld. Clemens Van de Spiegel staat er opgetekend onder nr. 35 en hij was het 207ste lid van Denderbond. De duivenliefhebbers die op de lijst vermeld waren werden door burgemeester Van Isterdael gemachtigd "een hok reisduiven in stand te houden".

De Okegemse duivenmelkers brachten hun duiven te voet of per fiets naar het lokaal in Ninove. Na de Eerste Wereldoorlog nam de duivensport te Okegem een geweldige uitbreiding. De liefhebbers begonnen met opleervluchten en kregen de toestemming om kermisvluchten in te richten. In 1927 werd te Okegem een nieuwe "Duivenbond" gesticht onder de naam "De Reisduif". Het lokaal waar de duivenmelkers samenkwamen was bij Ivo Staels in het café "In 't Gemeentehuis".

Enkele jaren later verhuisde de bond naar het café Het Vlaams Huis en verder naar café Sportlokaal (achter de kapel). Clemens werd opgenomen in het bestuur en nam zelfs enkele jaren de functie van schatbewaarder op zich.

We moeten even vermelden dat Clemens in tegenstelling tot zijn vader Constant en zijn broer Achilles nooit actief deelgenomen aan de gemeenteraadsverkiezingen. Bij de verkiezingen van 24 april 1921 stond Constant op de lijst van de Christen Democraten (Daensisten) en werd verkozen. Zijn partij behaalde een klinkende overwinning met zes zetels tegen drie zetels voor de Katholieke Partij. Bij de verkiezingen van 10 oktober 1926 stelde Achilles zich kandidaat voor de Katholieke Partij, die toen de verkiezingen won met vijf zetels tegen vier voor de Christen Democraten. Hij werd als jongste van de raadsleden verkozen tot eerste schepen van Okegem. Hij werd bij de volgende verkiezingen telkens verkozen tot in 1952 en aangesteld tot schepen.

Op 30 september 1931 trad Clemens in het huwelijk met Maria Josepha Van der Mijnsbrugge geboren te Borchtlombeek op 3 april 1907. In 1930 huwde zijn broer Achilles te Wambeek met Celine Gijsens geboren op 25 februari 1909. Na het huwelijk van Achilles werd in 1931 een mooi herenhuis gebouwd tussen het ouderlijk huis en het magazijn. Vader Constant en moeder Virgina gingen in het nieuwe huis wonen en de pasgetrouwde broers deelden de "oude" woning.

Uit het huwelijk van Clemens en Maria Josepha werden twee kinderen geboren: Georges (geboren in 1932) en Andrea (geboren in 1938). Een koningswens zegt de volksmond. Georges bleef ongehuwd en Andrea huwde met Hendrik Van Bever. Dit gezin heeft twee kinderen die gehuwd zijn maar nog geen kinderen hebben.

Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in mei 1940 had ook enkele nare gevolgen voor Clemens en Achilles. Op 14 mei werden 73 jonge mannen tussen 16 en 35 jaar verplicht zich te begeven naar de plaatsen die op hun oproepingsbevel stond. Clemens en zijn broer Achilles die niet meer tot de werfreserve van het Belgisch Leger behoorden, vreesden dat het Duitse Leger hen zou opeisen. Ze maakten zich ook klaar om met een zwaar beladen fiets naar de Westhoek te rijden om daar veilig te zijn. Ze lieten hun vrouw en kinderen onder de hoede van hun ouders achter en beloofden zo spoedig mogelijk terug te keren.

Op 18 mei 1940 vaardigden de Engelse soldaten die te Okegem gelegerd waren het bevel uit dat alle inwoners hun huizen moesten verlaten omdat ze de Duitse opmars aan de Dender moesten stoppen. De families Van der Spiegel negeerden dat bevel maar de Engelse soldaten verdreven ze uit hun woonst en brachten ze met andere families van de Kouterbaan naar de kelder van de woning van Patrice De Schepper waar nog dorpsgenoten opgesloten zaten. Gelukkig was er pastoor Van Vreckem die hen moed en troost insprak en na een zeer onrustige nacht konden ze terug naar huis. Nu was het angstvallig wachten op de komst van de weggevluchte mannen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd er niet meer zo hard gewerkt zoals tijdens de Eerste. Toen werden alle mandenmakers van de streek door de Duitse bezetter opgeëist om in het werkhuis van Constant te komen. De afgewerkte producten moesten naar de "Commandatur" te Aalst gebracht worden.

Na de Tweede Wereldoorlog is Clemens, die de stiel goed kende, verder gegaan met het vervaardigen van manden en korven. Door het vroegtijdig afsterven van zijn broer Achilles in 1954 verminderde de handel geleidelijk. Zijn weduwe Celine trachtte de zaak nog wat op te drijven maar na het afsterven van vader Constant in 1961 liepen de zaken stilaan naar het einde. In 1963 is het bedrijf dan volledig stilgevallen omdat Clemens, die pensioengerechtigd was, stopte met de stiel.

De wijmenier was nu nog weinig van betekenis en geraakte verwilderd. Hij werd eind de jaren zestig omgevormd tot een visvijverpark. Denk nu maar niet dat Clemens zich nu op de hengelsport stortte. Helemaal niet. Nu vond hij meer tijd om zich met zijn geliefde duivensport bezig te houden. Hij liet een mooi houten duivenhok oprichten in de tuin zodat hij niet meer naar de zolder moest. Hij had ook regelmatig contact met zijn kozijn Rik Vernaillen en meester Hunninck van Iddergem die ook verwoede duivenmelkers waren. Regelmatig trokken ze er op uit en maakten kennis met andere "melkers".

Hij hielp meer zijn echtgenote met de huiselijke bezigheden. Hij kon toch zo'n heerlijke wafels bakken met het oude wafelijzer op de Leuvense stoof (zie foto).

Eind september 1981 konden Clemens en Gudula hun gouden bruiloft vieren en tien jaar later werden ze gevierd als diamanten huwelijksjubilarissen. Maar dat geluk was van korte duur. Zijn echtgenote Maria Josepha Gudula Van der Mijnsbrugge overleed op 7 februari 1992. Clemens bleef alleen achter. Gelukkig was er zijn zoon Georges die de zorg van zijn oude vader op zich nam.

Wij besluiten met te zeggen dat Clemens het grootste deel van zijn leven doorgebracht heeft in het ouderlijk huis en eigenlijk nooit verhuisde.


 

1  LUYKX Th., Politieke geschiedenis van België, p. 313.