DE BIJENTEELT TE OKEGEM1

Herman Brantegem

 

In de huidige tijd, waarin de mens op zoek is naar natuurgetrouwe voeding en waarin de streekgastronomie gepropageerd wordt, geniet de bijenteelt ook meer belangstelling. Dat komt vooral tot uiting in tentoonstellingen van natuurproducten en bijenmarkten. Hoewel ze in de eerste plaats een commercieel en winstgevend doel nastreven hebben ze toch ook een volkskundig en ambachtelijk aspect en illustreren zij een aloude landelijke bedrijvigheid. Vandaar deze bijdrage over de bijenteelt.

De honingbij behoort niet tot onze inheemse insectenfauna. De bijen van onze imkers komen bij ons niet in het wild voor. Het zijn dieren die kunstmatig door de mens gekweekt werden en hier in onze streken zijn ingevoerd. Wanneer een bijenzwerm de vrije natuur invliegt houdt de zwerm het meestal niet lang uit in ons klimaat. Bijen kunnen alleen overleven als ze door de imker worden verzorgd. Het zijn een soort "huisdieren" geworden.

Heel lang geleden hebben volkeren de bijen naar hier meegebracht zoals het andere vee dat in hun voedsel moest voorzien. Honing werd gebruikt bij de bereiding van mede. Deze mede was een bedwelmende drank gemaakt met honing van wilde bijen. Het was een mengeling van honing en water die men liet gisten en die als drank zeer geliefd was bij de Germanen en Kelten.

In de Middeleeuwen was het imkeren een actief boerenbedrijf, waar de uitgestrekte velden uitmuntende bijenweiden waren. De imkerij bracht was en honing op de markt. In de abdijen en grote hoeven kwam de bijenteelt tot zeer grote bloei. De monniken hadden de gunstigste omstandigheden om die teelt te beoefenen namelijk plaats, kennis en ruimte.

De kerk eiste zuivere bijenwas voor de erediensten en was zelfs gemachtigd belastingen te heffen in de vorm van was en honing. Tot 1957 moesten de kaarsen voor het liturgisch gebruik uit bijenwas vervaardigd zijn. Dit gold zeker voor de paaskaars, die ook nu nog tijdens de paasnacht gewijd en aangestoken wordt als symbool van de verrezen Christus. Dit gebruik van bijenwas in de kerk vindt zijn oorsprong in de oudheid, toen men ervan overtuigd was dat de bijen zich ongeslachtelijk voortplantten en de katholieke kerk hierin een overeenkomst zag met de "onbevlekte ontvangenis" van Maria, de moeder van Jezus.

Was gebruikte men eveneens voor het gieten van zegels aan oorkonden, voor het afdekken van metaal en voor het etsen.

Bijenwas is een dierlijk vet en behoort tot de groep van de insectenwas, in tegenstelling tot de plantenwas en de minerale was. Zij wordt voortgebracht door de klieren aan de onderkant van het achterlijf van de bij. Door fijne openingen in de wasspiegels, witte vlekjes op de vier achterlijfsringen wordt de vloeibare was afgescheiden, deze stolt en vormt de zogenaamde wasplaatjes (kleine dunne schilfertjes, kleurloos van tint).

Het produceren van was door de bijen wordt bevorderd door sterk voederen van suikersiroop met water. Het zijn alleen de werkbijen die was kunnen produceren en het is met die kleine wasdeeltjes dat de bijen hun raten bouwen.

Bijenwas is zeer duurzaam en blijft lang goed en van natuur is hij geelachtig, oranjekleurig of zelfs lichtbruin. Om een lichtere kleur te bekomen werd de bijenwas oorspronkelijk gebleekt in de zon. In onze streken situeerde het bleekseizoen zich hoofdzakelijk in de zomermaanden.

De imker van die tijd had van de bijenteelt een geheel andere opvatting dan de onze. Hij beschouwde het als een mestdier. Als de bijenzwerm voldoende honing vergaard had, was de korf "vet" en dus slachtbaar. Het bijenvolk werd inderdaad geslacht, om de vrucht, de honing en het was, te oogsten. De imker verstikte de bijen door een vuur onder de korf te branden.

Hij zorgde natuurlijk voor bijen die voornamelijk zwermen moesten leveren en hij wenste die 's zomers liefst zeer zwermlustig teneinde zoveel mogelijk zwermen te kunnen inkorven; want zwermen waren bij hem het jonge vee, dat de korven, die jaarlijks geslacht werden moest vervangen, om op zijn beurt gevet te worden en geslacht, zodra het rijp was.

Het "vaten" van de zwermen was in het zomerseizoen de drukke bezigheid van de imkers en vergde veel aandacht want het in stand houden van de bijenstal hing er van af.

In de maanden mei, juni worden de bijenwoningen te klein. Ze zitten vol bijen en honing. Op een dag maken de bouwbijen grotere cellen met een andere vorm waarin de koningin eitjes legt. Uit deze eitjes komen larven maar deze larven krijgen een speciaal voedersap van de werkbijen: koninginnebrij. Door dit voedsel gaan de larven vlugger en beter groeien. Deze grotere larven worden nieuwe koninginnen. De oude koningin weet dat en daarom beslist ze de kast te verlaten. Het zijn de nieuwe koninginnen die uitvechten wie de nieuwe koningin wordt van de kast. Samen met de oude koningin vliegt tot de helft van haar volk de kast uit. Het volk gaat zwermen; de lucht hangt vol bijen. Al die bijen volgen de koningin en waar ze ook landt zullen ook de duizenden andere bijen hangen. Ze vormen een dikke tros rondom de koningin, bijenzwerm genoemd.

Ze gaan op zoek naar een nieuwe woning. De imker moet zo vlug mogelijk proberen de zwerm te vangen en hun voor een nieuwe woning zorgen. Dit grote bijenvolk heeft zich gedeeld en de imker heeft een bijenvolk bij.

Een bijenstal omvatte vroeger talrijke volken. Dat was nodig wegens de jaarlijkse slachting van de "vette korven".

De korven waren gemaakt van gevlochten stro, bestreken met een pap van klei, koedrek en kalk. De korf was rationeel en de bijen woonden er koel in de zomer en warm in de winter. Men kon ze gemakkelijk verplaatsen om aan landelijke bijenteelt te doen.

De korven vervaardigen was winterwerk. Ze werden gevlochten met ongedorst roggestro en men naaide het stro met riet of wilgenbast.

Breughel liet ons een afbeelding na waar wij zien dat de korven de vorm hadden van een hoge afgeknotte kegel. Zij lijken tamelijk hoog en ruim. Op de prent "De imkers" uit het Berlijnse Museum zien we drie imkers of bijenhouders met een bijenkap op, die hun hoofd tegen mogelijke aanvallen van de insecten moest beschermen. De kappen hebben aan de voorzijde een vizier, vermoedelijk van gevlochten teenhout, waarin spijltjes zijn gespannen. De opening van het vlechtwerk was zo klein dat de bijen er niet door konden. De kogelvormige korven welke op de prent voorkomen hebben boven aan een vlakstuk. Op de achtergrond is een bijenstal afgebeeld. De prent biedt dus een treffend beeld aan van de bijenteeltgewoonten rond het midden van de 16e eeuw.

In de korven zat de raat in vaste bouw, wat zijn voordeel had dat de bijenwas zuiverder was dan deze gewonnen in kasten met losse bouw. Tegenwoordig houden imkers bijen in houten kasten met uitneembare ramen. Hierdoor is het veel gemakkelijker om de bijen te inspecteren en om hun honing te oogsten zonder schade aan te richten in hun woning.

Een bijenkast bestaat gewoonlijk uit 2 of 3 op elkaar geplaatste bakken. Deze bakken staan op een bodemplank. Aan de voorzijde van de bodemplank is de vliegplank en het vlieggat langs waar de bijen in de kast kunnen. Dit geheel wordt afgedekt met dekplankjes en een dak.

In de bakken hangen de raampjes. In deze raampjes bouwen de bijen hun wasraten zelf op. Ieder raat bestaat uit duizenden waskamertjes of cellen. In deze cellen worden eitjes gelegd, larfjes gevoed en bijen geboren.

De cellen worden ook gebruikt als voorraadcellen. Ze worden gevuld met stuifmeel en honing en verzegeld of dus afgesloten met een dekseltje.

De honingkamer is altijd boven in de kast omdat de bijen hun voorraad altijd boven het broednest opbergen. Van dit voordeel maakt de imker gebruik om de honing te winnen.

De imker nummert de kasten, tekent de leeftijd van de koninginnen aan, alsmede de jaarlijkse productie van elk volk, de datum van het zwermen en het aantal zwermen van elke kast. Hij verwijdert de slechte kasten of bezorgt ze een jonge koningin.

In de 16e eeuw, met de opkomst van de koolzaadteelt is men hier in onze streken aan actieve bijenteelt gaan doen. De koolzaadteelt was zonder twijfel de belangrijkste industrile vrucht te Okegem. De bloeimaand is mei-juni en de nectar, stuifmeelwaarde is zeer goed. Het zet bovendien de bijen sterk aan tot broeden. Door extra te slingeren verhoogt men de opbrengst. Koolzaadhoning kristalliseert echter snel door zijn hoog gehalte aan druivensuiker. De bijenteelt bloeide in die periode tot haar hoogtepunt zolang de koolzaadvelden hun bloeisel leverden. Bejaarde mensen hebben in hun kindertijd imkers uit naburige dorpen hun bijenkasten zien plaatsen rondom de bloeiende koolzaadvelden om nadien de fijne, witte "sloorzeem" te winnen.

 

Bijentienden werden eveneens geïnd. Als bijentienden hief de gerechtigde elke tiende zwerm die de imker inkorfde. De heer moest in ruil de ingezetene het ongestoord uitoefenen van zijn imkersbedrijf waarborgen. Hij beschermde hun bijenweiden tegen andere boeren die er hun "biestal" zouden brengen.

Op het platteland werd zeem2 veelvuldig gebruikt om karnemelkse pap te zoeten. Later verdrong de siroop dit gebruik.

 

Vanaf de 19e eeuw waren het vooral intellectuelen zoals onderwijzers, kloosterlingen en zelfstandigen die rond de bloeiende koolzaadvelden de nectar puurden voor het winnen van de fijne "zeem".

De pastorale bijenteelt is de teelt die de korven of kasten van streek naar streek verplaatst naargelang de bijenweide op een bepaald tijdstip van het jaar bijzonder overvloedig bloeit. Deze teelt is een intensieve bijenteelt. Rond 1900 waren er nog verscheidene imkers die de minstwegende korven "uitzwavelden".

In de 19e eeuw kwam men tot andere opvattingen: de bijen werden gespaard want het was voldoende dat ze een bepaalde tijd bedwelmd waren om de honing uit de korven te kunnen halen. Men bedwelmde de bijen met chloroform. Op ongeveer 2 meter van de korf stelde men een tafel bedekt met een dik linnen kleed en zette er een schotel met chloroform op welke men zorgvuldig bedekte met een rooster van gevlochten ijzerdraad om alle aanraking met de bijen te vermijden. Men nam dan de korf en zette die op de chloroform. Na ongeveer 20 minuten waren de bijen bedwelmd en allen lagen op de tafel. De honing werd dan weggenomen en de korf weer op zijn plaats gebracht en de chloroform verwijderd. Na enkele minuten ontwaakten de bijen en vlogen terug naar hun korf.

In het begin van de 20e eeuw steeg het aantal imkers in vele dorpen en er ontstonden de zogenaamde "Biegilden" of Sint-Ambrosiusgilden die als doel hadden een betere waar op de markt te brengen en een hogere productie te bekomen.

De eerste bijengilden zouden reeds in het begin van de 17e eeuw ontstaan zijn naar het voorbeeld van de ambachten die na eeuwen stimulerend werkte op de eigenaars van "bijenstallen". Op zeker ogenblik ontstond bij hen het verlangen om zich te verenigen. In groepsverband was het imkers mogelijk hun belangen te verdedigen. De bijenboeren wilden het houden van bijen voorbehouden aan de leden van hun gilden. Maandelijks werden voordrachten en lessen gegeven aan de leden en jaarlijks was er het zogenaamde Sint-Ambrosiusfeest met een feestelijke maaltijd vooraf gegaan door een heilige mis ter aandenken van de overleden imkers.

Als patroonheilige van de imkers werd de heilige Ambrosius gekozen. Hij werd geboren in 340 en volgens de legende zou hij als zuigeling, toen hij langs een graskant lag te slapen door een zwerm bijen aangevallen zijn. De bijen kropen overal in en door, in neusgaten, ooropeningen en in zijn mond, waarbij hij geen enkele bijensteek opliep.

Zijn vader, een gelovig man, liet de bijen begaan maar riep in bewondering toch uit: "dit kind zal eens een groot man en leider worden". Deze legende was zeker de grondslag om hem als patroonheilige van de imkers te vereren.

Ambrosius werd op dertigjarige leeftijd benoemd tot burgerlijk gouverneur van Ligurië. Hij werd in 375 tot bisschop gewijd. Ambrosius stierf in 397. Hij wordt afgebeeld met een bijenkorf en men viert hem op 7 december.

 

Okegemse imkers

 

In het archief komen de namen voor van volgende personen die zich vermoedelijk met bijenteelt bezig hielden.

- In de aangifte van nalatenschap van koster Adriaen Vernaillen, overleden op 26 september 1647, lezen we dat hij beschikte over 9 bijenkorven. Waarschijnlijk vervaardigde hij met de bijenwas de kaarsen voor de kerk. Dit was gebruikelijk voor een koster in die tijd.

- Bij de dood van smid Lambrecht Treghen in 1650 trof men twee bijenkorven aan. Een bijenkorf kostte drie gulden en zes stuivers waard. Dit is ongeveer een weekloon van een ongeschoolde werker.

- Gillis Moens overleed in 1713. Hij woonde op het dorp, was landbouwer en had 22 gevulde korven en 15 lege in bezit.

- Peter Van Cauter, landbouwer, overleden in 1726 had één korf met bijen en een aantal lege korven.

- In 1751 liet landbouwer Pieter D'Hoe wonende te Eversem 9 korven met bijen en een aantal lege korven na.

 

Vanaf de 19e eeuw treffen we volgende imkers aan:

- Alexis Van Damme: geboren te Okegem in 1854 hield rond de jaren 1880 reeds bijen in het vroegere molenhuis in de Kattestraat. In 1902 verhuisde hij naar het Dorp waar hij eveneens bijen hield. In 1917 had hij 11 korven. Hij was schepen te Okegem en werd benoemd tot gemeentesecretaris op 29 januari 1908. Het gezin had vijf kinderen waarvan Judith en Clarisse een tijd na zijn dood in het huis op het Dorp nog bijen hielden. In de beginjaren waren het strooien korven nadien kasten die bovenaan met zink beslagen waren.

Hij beschikte over 8 kasten bijen en was bestuurslid van de bijengilde te Ninove die vergaderde in de herberg "De Ster" aan het station.

De honing gebruikte men voor eigen gebruik tegen verkoudheden en voor smeersel op de boterham en de overtollige honing verkocht men aan apotheker De Ruyver van Ninove die er geneeskundige zalfjes van vervaardigde.

Judith en Clarisse hadden nog 4 kasten rond de jaren 1950.

Met een deel van de honing en water bijgevoegd maakte Alexis een honingbier: de mede. Judith noemde de drank in het Okegems "de mee".

- Gustaaf De Vos-Schouppe, landbouwer, oud-burgemeester, geboren in 1861 te Okegem woonde op de Rattenberg (Leopoldstraat) nr. 4 (eerste huis links). Hij huwde in 1893 met Marie Clarisse Schouppe, handschoenmaakster. Hij had 6 kasten bijen in de jaren 1920-1930. De oorlog 1940-1945 maakte een einde aan zijn activiteiten.

Judith Van Damme vertelde mij dat op een bepaald ogenblik een bijenzwerm langs een opening onder het dak tussen het plafond terechtgekomen was en dat men voor het verwijderen van de bijennest het plafond heeft laten uitbreken.

- Buydens Firmin, geboren in 1906 te Okegem als zoon van onderstationchef Emmanuel en gehuwd met Kestens Magda. Het gezin had 5 kinderen en hield bijen kort na de oorlog 1940-1945 in de vroegere Stationstraat nu Jan Okeghemstraat 23. Een medegevangene uit Pollare zette hem tijdens zijn krijgsgevangenschap aan om het imkeren te bedrijven. Hij bezat 8 kasten bij het ouderlijk huis waar momenteel zoon Herman zijn praktijk als kinderarts heeft. Hij was lid van de Belgische imkersbond maar had wel andere opvattingen dan de meeste bondsleden. Alles werd zo natuurlijk mogelijk aan zijn lot overgelaten om een betere kwaliteit van de honing te bekomen. Daarom liet hij de bijen in de kasten de helft van de honing over om minder suiker te moeten geven. De opbrengst was wel de helft minder maar de honing was beter van kwaliteit. Hij dreef er geen handel in en de overtollige honing ging naar de paters uit Dendermonde die er verlekkerd op waren. Hij slingerde tweemaal per jaar namelijk na de voorjaarsbloei en rond de 15e augustus. Voor het verdoven van de bijen gebruikte hij de rookontwikkeling van een karton dat de bijenbond hem leverde. Hij stopte zijn activiteit in het begin van de jaren 1980.

- Van Vreckem Kamiel: pastoor te Okegem vanaf 1940 tot 1952 was eveneens imker in de naoorlogse jaren. Hij werd geboren te Pollare in 1887 en priester gewijd in 1914. Hij overleed te Brussel in 1952. Hij hield enkele bijenkasten in de tuin van de huidige pastorie.

- Cyriel De Dier, voormalig burgemeester, geboren te Okegem in 1891 en gestorven in 1984, hield enkele bijenkasten aan de Leopoldstraat in het huis waar nu André Van de Perre woont.

- Emilius Franciscus De Roeck, geboren te Denderleeuw in 1910, technisch ingenieur en gehuwd met Maria Minner woonde in de Leopoldstraat in het huis in de volksmond genoemd "kasteelken" hield eveneens bijen. Hij stierf te Gent op 8 oktober 1975.

- Strick Jean-Pierre de momenteel de enige imker die nog actief is in Okegem. Hij woont in de Hazeleerstraat nr. 75. Een geel tekstplaatje: "echte honing van de imker – hier verkrijgbaar" is bevestigd aan de voorkant van het huis.

 

De producten van de bij

 

Honing: De haalbij komt terug naar haar woning met nectar en geeft deze door aan een huisbij. Zo wordt de nectar vele malen doorgegeven en in de honingmaag van elke bij worden stoffen toegevoegd (enzymen) die nodig zijn om van nectar honing te maken. De honing wordt in de wascellen opgestapeld. De bijen waaieren voortdurend met hun vleugels om de lucht in de kast te verversen en de temperatuur steeds op 35 Celsius te houden. Om de honing te kunnen bewaren worden de cellen dichtgemaakt met een laag was. De honingramen worden uit de kast genomen en het was wordt verwijderd met een ontzegelvork. Nu worden de ramen geslingerd en loopt de honing in een honingrijper. Elke dag roert men in de honing zodat hij vaster wordt en men hem in potten kan opslaan.

Honing geeft een positieve werking bij verkoudheid en een ontsmettende werking bij uitwendig gebruik vooral bij brandwonden. Als huismiddel heeft honing ook zijn sporen verdiend bij koorts, slaapstoringen, tandvleesontstekingen en hooikoorts.

 

Was: Bijenwas was vroeger het materiaal voor het maken van kaarsen. Het kaarsvet werd ook gebruikt in de volksgeneeskunde. Grauw papier, bestreken met kaarsvet, werd op de borst gelegd om van een verkoudheid af te geraken.

Om van een hardnekkige "kopvalling" te genezen, werden beide neusvleugels ingewreven met verwarmd kaarsvet. Vrouwen die te maken hadden met ontstoken borsten, deden er eveneens goed aan de zere plekken met kaarsvet in te smeren. Kaarsvet werd, volgens de volksgeneeskunde, ook gebruikt voor het bereiden van geneeskrachtige mengsels om o.a. aambeien en brandwonden te behandelen.

 

Stuifmeel: Het stuifmeel van de bloemen, de pollen bevatten veel belangrijke vitamines, maar ook alle belangrijke aminozuren en is daardoor de meest waardevolle eiwitbron van plantaardige oorsprong.

 

Propolis: Het product wordt door de bijen gemaakt uit hars van populieren en berkenknoppen. Bijen gebruiken het voor hun eigen gezondheid. Het inwendige van de bijenkorf wordt er mee ingesmeerd. Recent wetenschappelijk onderzoek heeft dan ook uitgewezen dat propolis een breed gamma gezondheidsbevorderende eigenschappen bezit en bij tal van aandoeningen kan worden toegepast zoals keelpijn, astma, hooikoorts enz.

 

Koninginnebrij: Het is het beste voedingsmiddel dat bestaat omdat het alles bevat wat er nodig is om te leven. De koninginnebrij doet de cholesterine dalen en regelt ook de bloeddruk. Het heeft ook een bacteriën dodende werking, zodat het, gemengd met honing, ook geschikt is als middel tegen griep.

 

Bijengift: Het bijengift is een bijzonder geneesmiddel uit het bijenrijk. Het bezit een uitgesproken werking tegen reuma. Voor mensen met allergie moet er van de bijensteektherapie worden afgezien. Het is interessant om te weten dat alcohol de 'tegenspeler' van bijengift is en dit gift kan neutraliseren. Wanneer men gestoken is kan men wat alcohol drinken of uitwendig op de gestoken plaats aanbrengen.

We besluiten deze bijdrage met de opmerking dat honingbijen in de natuur zeer belangrijk zijn. Er zijn geen honingbijen zonder bloemen, maar ook geen bloemen zonder honingbijen. Honingbijen zijn de beste bestuivers en absoluut onmisbaar voor het behoud van onze flora. Honingbijen kunnen gebruikt worden als een soort kwaliteitsmeter van het milieu, hoe gezonder hun omgeving, hoe gezonder de honingbijen.

1  Geraadpleegde werken:

- LINDEMANS P., De geschiedenis van de landbouw in België, Antwerpen, 1952. – Hoofdstuk: de bijen p. 453-470.

- Tijdschrift Ons Heem, 1981, nr. 2 Over bijen p. 29-30; idem 1991, nr. 4-5 p. 120-136.

2  Zeem is honing: het woord wordt niet gebruikt in Nederland.