MEI 1940, ONTSNAPT AAN DE DOOD TE OKEGEM

Patrick Praet

 

Op 15 juli 2003 werden ik en Jozef Van der Speeten in Herent ontvangen door Irma De Troy (geboren 1929). Zij is een kleindochter van Joseph Hubert De Troy (1863-1948), in Okegem beter bekend als 'de oude koster'. Samen met zijn vrouw en zijn dochters woonde hij in een huis naast de kerk dat tegelijk een winkel was in allerhande producten (stoffen, kraaltjes, lingerie, ...)1. Alhoewel Irma De Troy geboren en getogen is in Hoeilaart, bezit zij toch een bijzondere band met Okegem. De oorlogsomstandigheden brachten haar in mei 1940 bij haar grootouders in Okegem. Wat zij daar toen meemaakte, is zij nooit vergeten. Hier volgt haar verhaal.

Ik herinner me nog goed, ik was toen ruim 10 jaar, dat mijn moeder op de morgen van 10 mei 1940 mijn kamer binnenkwam met de melding dat het Duitse leger België was binnengevallen. Moeder trok de venster open en we keken samen naar buiten toen er plots op een zeer korte afstand een licht Duits verkenningsvliegtuig voorbij vloog! We woonden op één van de hoogste punten in Hoeilaart en het centrum lag laag in het dal. De piloot van het vliegtuigje vloog dus op de hoogte van ons slaapkamerraam en was met vliegmuts en –bril heel duidelijk te zien. In mijn herinnering keek hij zelfs naar ons. Het was het allereerste vliegtuig dat ik zag! Het was opwindend maar aan mijn moeder merkte ik dat er gevaar aan verbonden was. Dit was mijn eerste kennismaking met de oorlog...

Zoals vele mensen overwogen ook mijn ouders om uit Hoeilaart weg te vluchten. Met de wagen van oom Felix (De Troy) trokken mijn moeder en haar dochters in de richting van Brussel. Mijn vader zou ons met de drie oudste zonen van oom Felix, met de tram en bus nareizen. Dat scheen veiliger te zijn.

In Brussel kwamen we terecht in het huis van vaders (gelijknamige) neef Jean De Troy, een drogist en koster van de Sint-Katelijnekerk. Aangezien de Duitsers snel oprukten, bleven we daar maar één nachtje slapen en vertrokken de volgende morgen vroeg met de tram naar Okegem waar de ouders van mijn vader woonden.

Wij reden richting Ninove en stapten af aan de Belle Alliance in Pamel. Onderweg werden de tekenen van de oorlogsgeweld steeds duidelijker zichtbaar. Zo zag ik aan de stopplaats van de tram een neergestort licht vliegtuig. Vanuit Pamel ging het dan te voet richting Okegem. Daar werden we door mijn grootouders opgevangen en vonden daar ook de broers van vader met hun gezinnen. We waren zeker met een vijftiental kinderen en een tiental volwassenen samen in het grootouderlijke huis aan de kerk.

Onmiddellijk viel op dat in de buurt van de Dender opvallend veel Britse soldaten gestationeerd waren2. De officieren kwamen uit Engeland, maar de gewone soldaten waren duidelijk mannen uit de kolonies. Mijn moeder die vrij goed Engels kende, sprak dus af en toe met de soldaten en probeerde regelmatig berichtjes binnen te rijven. Ze merkte dat hun kennis van de Engelse taal heel gering was. Moeder kwam te weten dat velen van hen afkomstig waren uit Ceylon, één van de toenmalige kolonies van Groot-Brittannië.

Op een bepaald ogenblik waren we verwonderd over de activiteiten van de Britse soldaten. Eerst maakten ze een grote opening in de muur rondom het kerkhof naast de kerk. Vandaar hadden zij ze een uitkijk op de brug van de Dender. In grote haast begonnen ze de zerken te verwijderen. Hierbij haalden zij restanten van doodskisten en geraamten naar boven. Voor ons, kinderen die dit alles van heel dichtbij volgden, was dit een griezelige ervaring. Achteraf werd duidelijk wat hun bedoeling was. Er werd een geschut geplaatst waarmee de brug over de Dender werd opgeblazen3. Aan al de Okegemnaars werd gevraagd zich in hun huizen terug te trekken, liefst in een beschutte plaats. De buurman van mijn grootouders, Patrice De Schepper, was al eerder naar Frankrijk gevlucht en was zo vriendelijk zijn grote gewelfde kelder als schuilplaats aan te bieden aan onze familie.

Toen de beschietingen toenamen en dan plots de brug de lucht in ging was iedereen in paniek. Ten huize De Schepper viel een deel van het stukadoorplafond met veel lawaai en stof naar beneden. We bleven ons in de kelder verborgen houden maar kort na de ontploffing werd plots door twee Britse soldaten (elk met een zware revolver in aanslag) het kelderluik opengegooid. Ze dwongen ons naar buiten te komen met de belofte dat we samen met hen vanuit Duinkerke naar Engeland konden vluchten.

In werkelijkheid bleek dat ze op zoek waren naar spionnen4. Samen met andere mensen – die ook uit hun schuilplaatsen werden gehaald – werden we voortgedreven over het dorpsplein. Wij moesten in het midden stappen, met de soldaten rechts en links van ons. Intussen was er een vuurgevecht aan de gang, langs beide zijden van de Dender. Mijn moeder was doodsbang want mijn vader en alle andere mannen waren opgepakt. Later vernamen we dat ze ergens in een kelder nabij de school waren opgesloten als spionnen.

 

We werden dan door de Engelsen voortgedreven in de richting van het station, terwijl de beschietingen bleven duren. Ik zal nooit vergeten dat er een plots een projectiel neerkwam en een kindje op de arm van zijn moeder verwondde, terwijl ook een soldaat dood neerviel.

Ik weet nog dat de soldaten een oudere man neerschoten toen die niet reageerde op hun bevelen. Achteraf bleek dat de man bijna doof was en waarschijnlijk niets had gehoord5.

Aan het station werden we met geweld in de richting van een villa gedreven6. Op de zolder van dat huis, waar heel wat mensen samen waren, kregen we tot onze verwondering allemaal een kaars in de handen gestopt. Achteraf werd me duidelijk dat deze kaarsen niet van de soldaten maar van de pastoor afkomstig waren.

Korte tijd nadien kwam inderdaad pastoor Van Vreckem binnen die ons allemaal zegende! Toen werd het voor de meesten duidelijk dat er iets veel erger op til was. Onze vrees werd bevestigd doordat de soldaten op hetzelfde ogenblik bezig waren met het graven van een greppel rond het huis. Hierin stopten ze dynamietstaven. Moeder vroeg aan de soldaten wat ze van plan waren. Hun antwoord was dat het beter was op deze manier te sterven dan in de handen te vallen van de Duitsers! Dit heb ik mijn moeder later nog tientallen keren aan vrienden en kennissen horen vertellen.

Het schieten hield plotseling op en kort daarna was er geen enkele Britse soldaat meer te bespeuren! We verlieten zo vlug mogelijk de villa waarna we over de spoorweg vluchtten. Men deed ons teken dat we op een boerderij aan de andere kant van het station mochten schuilen7. Ik herinner me nog goed dat de vensterluiken van de boerderij werden opengegooid en dat door het open venster een Britse soldaat in volle gevechtsuitrusting naar binnen schreeuwde "At ten o'clock, big bombardement!". Weer waren we doodsbang en liepen de straat op langs de Rattenberg (Leopoldstraat) terwijl de beschietingen langs weerszijden van de Dender onverminderd doorgingen. Wij werden binnengeroepen door een andere boer8. Daar hebben we samen met andere families in de gewelfde kelders het einde van het bombardement afgewacht.

Wat ik me nog goed herinner is dat we allemaal heel hongerig waren en dat we ondanks de beschietingen in de tuin op zoek gingen naar onrijpe zure appeltjes. Moeder was (terecht) in paniek toen ze haar kinderen hierop betrapte. Onze gastheer spoorde ons aan om een rauw eitje uit de schaal te slurpen. Ik weet nog dat alle kinderen dat gruwelijk vonden.

Op zeker ogenblik werd er zwaar op de deur gebonkt waarna de boer angstig openmaakte. Twee jonge Duitse soldaten vroegen beleefd of ze te drinken kregen. De boer wilde hen water geven uit de waterput voor de deur maar moest er wel eerst zélf van drinken.

Die soldaten zegden dat de oorlog voorbij was en dat iedereen terug naar huis moest keren. Zij hadden van Hitler de boodschap meegekregen dat ze goed moesten zijn voor het Belgische volk.

Terug in het huis van mijn grootouders zagen we dat er van alles op de grond lag en dat er ook gestolen was. Tussen de rommel liep er in huis een losgebroken lammetje, een bijna surrealistisch beeld.... Ook mijn vader was tot onze grote vreugde ongedeerd teruggekeerd met alle andere mannen van Okegem.

Er trokken nu veel Duitse soldaten doorheen het dorp. Zelf gingen we ook op verkenning uit en zagen zo heel wat dood vee langs de oevers van de Dender. Vooral die koeien zijn me bijgebleven doordat ze erg opgeblazen lagen en met hun poten stijf in de lucht.

Vlug daarna zijn we dan samen naar Hoeilaart teruggekeerd waar in tegenstelling tot het oorlogsgebeuren in Okegem niets vermeldenswaardig gebeurd was.

Bij die terugkeer zijn we langs het water (wellicht de Dender) voortgetrokken tot in de omgeving van Ninove. Het was duidelijk dat de Duitsers aan de winnende hand waren; dat merkten we aan hun euforische stemming.

Toen moeder later tijdens de oorlog zwaar ziek werd, ben ik samen met een jongere zus terug naar Okegem gestuurd waar ik nog zeven à acht maanden gebleven ben en zelfs school gelopen heb (1941). Ik zat er in de klas van juffrouw Thérèse Van Cotthem. Aangezien ik er heel wat vriendinnen maakte, heb ik er nog een mooie tijd beleefd.

Uit die periode heb ik ook nog een herinnering aan drie Duitse soldaten die een tijdje bij mijn grootouders werden ingekwartierd en die door hun ellendig uitzicht een zeer diepe indruk op me maakten. Ze waren doodop en spraken geen woord. Vele uren werden besteed aan voetverzorging. Nieuwsgierig als ik was, zag ik hoe vreselijk die voeten er uitzagen. Aangezien mijn grootouders en tantes alle contact met de soldaten vermeden, was ik als tienjarig meisje degene die hun boodschappen doorgaf (bijvoorbeeld hun vraag naar warm water).

Toen dan rond Kerstmis de geschenkjes uit hun vaderland aankwamen, kwamen deze zwijgzame triestige soldaten plots tot leven! Ze werden spraakzaam, zelfs vriendelijk en vertelden me over hun thuis waar ze zo erg gemist werden en nodig waren om te helpen op de boerderij. Later vernamen we dat ze aan het Russische front hadden gevochten. Hun rust in Okegem was van korte duur en ze verdwenen waarschijnlijk terug naar het front.

 

Vandaag kijkt Irma De Troy nog met zeer gemengde gevoelens terug op haar herinneringen over Okegem. De bijna traumatische ervaring van de meidagen 1940 en de zorgeloze tijd op school zijn er voor verantwoordelijk dat Okegem haar steeds blijven fascineren is. Haar verhaal brengt een vollediger beeld van de menselijke drama's te Okegem bij het begin van de oorlog.


 

1  Op dit ogenblik: Dorp nr. 44.

2  Rond 17-19 mei was er inderdaad een verhoogde Britse militaire aanwezigheid in Okegem. Het 2e bataljon van de Grenadier Guards (ca. 800 soldaten) had er de taak om de brug over de Dender te verdedigen. Het geallieerde commando had besloten dat de Duitse opmars langs de Dender zoveel mogelijk moest vertraagd worden. Dit moest de hoofdmacht in staat stellen om zich terug te trekken achter de Schelde. Zie P. Taghon, Mei 1940. De Achttiendaagse veldtocht in België, Tielt, 1989, p. 141 en J. Van der Speeten, Okegem en Okegemnaars in W.O. II (deel 5). Schade aan privégoederen, in: Mededelingen Heemkring Okegem, jaargang 19, 1994, nr. 4, p. 73-77.

3  De Denderbruggen werden in de loop van 18 mei allemaal opgeblazen. De grote brug in Okegem ging om 9 uur in de voormiddag de lucht in. Hetzelfde gebeurde ook de met de kleine brug naar Impegem.

Sylvain Van Isterdael, die zich de gebeurtenissen van mei 1940 nog goed herinnert, vult nog aan dat de Britten op deze plaats ook loopgraven hadden gegraven. Zij waren dus duidelijk van plan om de Duitsers daar op te wachten. Hij kon niet bevestigen dat vandaar de brug werd kapotgeschoten. Het is inderdaad meer aannemelijk dat onder de brug explosieven werden geplaatst.

4  Volgens de officiële Britse versie werd er op zaterdag 19 mei vanuit het dorp op de Engelsen geschoten. Regimental Sergeant Major Pratt werd hierdoor zwaar gekwetst. In de ogen van de Britten betekende dit dat er in Okegem sympathisanten van de Duitsers aanwezig waren. Daarop werd de helft van een bataljon ingezet om het dorp uit te kammen op zoek naar "Fifth Columnists", een vijfde kolonne.

5  Dit verhaal wordt grotendeels bevestigd door de versie van Sylvain Van Isterdael. Het betrof een man van buiten Okegem. Hij werd enkel gekwetst en in een jeep meegenomen door de Britse soldaten. Volgens de officiële versie werden er vier Okegemnaren door de Britse soldaten gedood: Benedict Vernaillen, Theofiel De Beenhouwer, Alfons De Vriendt en Theodoor van Houtem. Meer hierover kan men lezen in J. Van der Speeten, Okegem en Okegemnaars in W.O. II (deel 3), in: Mededelingen Heemkring Okegem, 16, 1991, nr. 1, p. 1-3.

Nog volgens Sylvain van Isterdael werden behalve de vier inwoners nog drie andere mensen gedood: twee broers uit Liedekerke en een kindje van 18 maanden.

6  Dit kan niet anders dan het huis van de familie Buydens geweest zijn (Jan Ockeghemstraat nr. 23).

7  Wellicht ging het hier om Petrus Baeyens, beter bekend als Pieë Claus. De familie woont nog altijd in de Guldenboom nr. 3.

8  Het ging hier om boer De Coen die aan het begin van het huidige Hofstad woonde.