ALS DE OORLOG WOEDT... OF

JEUGDHERINNERINGEN AAN DE OORLOG

Jozef Vernaillen

 

Na de dood van mijn moeder op 13 juli 1938 kreeg ik een tweede thuis in het gezin van mijn peter (en oom) Jozef Vernaillen en mijn tante Emma Baeyens in de Kattestraat. Daar mijn vader Gustaaf in Aalst werkte was dit een goede oplossing. Mijn zuster vond haar tweede thuis in de Kouterbaan bij haar meter (en tante) Maria Vernaillen en nonkel Petrus Van der Speeten. Ik zag mijn vader en zuster maar een paar maal in de week, meestal op zondag wanneer we bij hem naar de Rattenbergstraat of met hem ergens bij familie gingen.

In mijn pleeggezin waren 11 kinderen geboren waarvan er 8 werden grootgebracht en in 1940 waren er 3 van getrouwd. Ik zou daar 20 jaar "thuis" zijn en zo was ik nauw betrokken bij het wedervaren van de familie in de oorlog. Voor verschillende data raadpleegde ik de Mededelingen van de Heemkring. Verder liet ik me leiden door mijn geheugen om het wedervaren van mijn familie in de oorlog te reconstrueren en dit op gevaar af van onvolledigheid.

Eerst een woordje over de situatie bij mijn tweede thuis op die memorabele tiende mei 1940:

- Georges ( 1907): woonde te Denderhoutem, gehuwd en twee kinderen

- Maurice ( 1910): gemobiliseerd sinds 26 augustus 1939, gehuwd en 1 kind. Was in verlof.

- Albert ( 1912): gemobiliseerd sinds 4 september 1939, gehuwd en nog geen kinderen

- Petrus ( 1918): gemobiliseerd en nog ongehuwd

- Marcel ( 1920): was zijn legerdienst begonnen, nog ongehuwd en in verlof

- Paul ( 1922) en Leo ( 1924): nog ongehuwd en thuis

 

Er waren dus vier soldaten in het gezin en de twee die in verlof waren moesten onmiddellijk hun eenheid vervoegen. Mijn vader, zijn twee broers en twee zussen met hun respectievelijke wederhelft hadden reeds een wereldoorlog meegemaakt en wisten dus ongeveer wat kon gebeuren. Wat in deze mensen omging kan ik me alleen maar proberen voor te stellen. In de familie waren nog twee soldaten, namelijk Petrus Amandus van nonkel Benedict en Gommaar Vernaillen, schoonzoon in het pleeggezin van mijn zuster.

Op 14 mei kwam het bevel - langs de radio en via de veldwachter - dat alle jonge mannen tussen 16 en 35 jaar die niet bij het leger waren zich naar Poperinge, Roeselare of Ieper moesten begeven. Dat bevel sloeg op de volgende leden van de familie: Georges, Paul en Leo van mijn peter, Gustaaf ( 1918, later koster) en Leo Van de Perre, twee kozijns.

Na 14 mei wisten mijn peter en tante slechts van één van hun acht kinderen waar die zich bevond: hun dochter Mariette. En het was oorlog.

Achttien mei betekende voor vier Okegemnaren een dramatisch levenseinde. Het eerste slachtoffer was mijn oom Benedict Vernaillen die niettegenstaande de toestemming van een Engels officier bij het klaveren maaien op zijn veld aan de Okegembaan door een Brits soldaat werd doodgeschoten. Die vuurde vanop de Kattestraat onder het raam van het toenmalig huis tegenover Germanus Van der Perre. De vrouw des huizes die aan haar deur kwam kijken en de soldaat gebaarde niet te schieten moest nog maken dat ze haar huis inkwam. Niettegenstaande ik slechts 6,5 jaar oud was zal ik nooit het tafereel vergeten dat ik daarna heb gezien: mijn oom, liggend op een ladder, bedekt met een laken en gedragen door twee man. Deze bleven tegenover het huis van mijn peter even staan om hem en mijn vader de gelegenheid te geven hun dode broer nog eens te zien. Droevig was ook de aanblik van mijn kozijn Frans (+ 1946) die erbij was toen zijn vader dodelijk werd getroffen.

Op 18 mei werd ook al een deel van de inwoners van Okegem uit hun huizen gehaald en samen opgesloten of op de vlucht gedreven. De enen zijn al wat verder geraakt dan de anderen. Mijn vader kwam tot in Denderhoutem en mijn zuster is Okegem niet uit geweest. Er was nogal verwarring en mijn vader heeft dus een paar dagen niet geweten waar zijn kinderen waren terechtgekomen!

Mijn peter, tante en ik brachten de nacht van 18-19 mei door in de kelder van hun woning aan de Kattestraat.

's Morgens ging mijn peter boven een kijkje nemen en de Leuvense stoof aansteken om water te warmen voor koffie. Een paar Britse soldaten moeten de rook uit de schouw hebben gezien en vóór de koffie klaar was, werden we uit de kelder gehaald. Een tiental minuten later stonden we op straat en de soldaten wezen richting Ninove. Met een luttele hoeveelheid mondvoorraad en waarschijnlijk wat geld moesten we de weg op.

Welke indruk de vorige gebeurtenissen en de vlucht op een zesjarige maakten kan blijken uit sommige details die ik me daarvan nog herinner. Zo weet ik nog dat mijn schoeisel bestond uit een paar "catchou-slesjen". Dat waren pantoffels volledig in gummi met bovenaan de nodige gaten en gaatjes. Die werden door groot en klein gedragen en soms "zweetslesjen" genoemd. In Ninove werden we de Brakelse steenweg opgestuurd. Onderweg heb ik een tiental kilometer op een stootkar mogen zitten en van een Britse soldaat kreeg ik chocolade. Vanaf Brakel ging het richting Oudenaarde tot ons eindpunt Maarke-Kerkem waar we dus meer dan 25 kilometer van huis zaten. Gans de afgelegde weg bevonden we ons in een grote drukte van vluchtelingen en waartussen ook wel terugtrekkende soldaten.

In Maarke-Kerkem hebben we samen met enkele anderen de nacht mogen doorbrengen in de woonkamer van een gastvrije hoeve langs de steenweg. De bewoners hadden stro en dekens voor ons. Ook in de schuur hebben vluchtelingen de nacht doorgebracht. Nog jong en moe sliep ik de ganse nacht door en 's morgens lagen de scherven van de ruiten op onze dekens. Die waren 's nachts stuk gesprongen, waarschijnlijk door kogels of scherven van een granaat.

Die mensen bezorgden ons ook een ontbijt en toen we op de binnenkoer stonden, marcheerden daar op de steenweg Duitse soldaten voorbij. Dat waren de eersten die we zagen en toen was het, meen ik, de 21ste mei.

Dezelfde voormiddag nog vatten we de terugtocht aan langs Geraardsbergen waar mijn peters dochter Mariette woonde. Mijn peter was erg bekommerd om zijn have en goed en wilde ook mijn vader nopens mij kunnen geruststellen. Daarom wou hij nog dezelfde dag met mij terug naar Okegem. Met veel moeite werd hij overhaald om daar van af te zien. En gelukkig maar! Toen hij 's anderendaags met mij thuiskwam stelden we vast dat er een groot gat in het dak geslagen was. Dat was veroorzaakt door een zware granaat die gelukkig ontploft was op de middelste muur van het huis anders was de ravage nog veel groter geweest. Bij het vaststellen van de schade kwam aan het licht dat - indien we de vorige dag naar huis waren gekomen - we allebei dood konden geweest zijn. Er waren namelijk vier scherven dwars door de houten zolderingen en door het bed in de vloer gedrongen. En in dat bed zouden we waarschijnlijk geslapen hebben.

Verder werd vastgesteld dat de hesp, de jenever en een paar kleinigheden verdwenen waren. Toen we op de zolder kwamen was mijn eerste vaststelling: "Peter, het wafelmachien is ook kapot". Ik bedoelde het wafelijzer waarmee eertijds op de Leuvense stoof de wafels werden gebakken. Over dat "machien" heb ik nog dikwijls moeten horen vertellen. Dat het weerzien met mijn vader en mijn zuster nogal hartelijk was, begrijpt iedereen wel.

Enkele dagen later deed mijn peter nog een akelige ontdekking in de tuin van mijn vader aan de Rattenbergstraat. Hij was daar om de loopgraven te dichten die Britse soldaten hadden gegraven vlakbij het voetwegeltje achteraan. Op de bodem lagen nogal wat lege kogelhulzen. Hij daalde af om deze op te rapen en stootte zo tegen een lichaam. Zo vond hij het lichaam van de enkele dagen voordien vermoordde Theofiel De Beenhouwer. Mijn vader zegde toen dat de Britse soldaten dronken waren geweest en dat iemand hun telefoonverbinding had doorgeknipt. Uiteraard was het een totaal af te keuren daad om daarom een onschuldige man op gruwelijke wijze om te brengen. Ook de moord op Alfons De Vriendt en Theodoor Van Houtem - twee buren uit de Kattestraat - werd algemeen afgekeurd.

Na de capitulatie van het Belgisch leger kwamen de soldaten en de rest van de vluchtelingen druppelsgewijs weer thuis: Petrus op 30 mei, Albert op 8 juni, Paul en de twee Leo's op 13 augustus, Marcel op 18 augustus. De vier laatstgenoemden kwamen terug uit Zuid-Frankrijk. Naar Maurice, krijgsgevangene geweest in Duitsland, moest de familie, vooral zijn vrouw en kind, wachten tot 17 januari 1941. Georges was intussen ook terug. Gustaaf en Petrus Amandus, de zonen van mijn nonkel Benedict, vernamen de dood van hun vader, en Gommaar Vernaillen was terug thuis op 10 juni.

Op de dood van nonkel Benedict na was de familie dus betrekkelijk goed die dingen doorgekomen. Of anders gezegd: 't kon nog erger geweest zijn. Nu moest men proberen en hopen de bezetting zo goed mogelijk door te komen.

Rantsoeneringen, opeisingen, wegvoeringen, smokkel, ersatzproducten, soms slecht brood, in de winter weinig brandstof,... waren dagelijkse kost. De Duitsers zegden dat de Belgen "schlamm" moesten maken. Dat was kolenstof, en wie weet wat nog allemaal verwerkt tot een soort deeg dat meer rook dan warmte gaf.

Toen in 1941 in Okegem nogal wat Duitse soldaten ingekwartierd werden, kreeg mijn peter er ook twee in huis. Daar herinner ik me nog van dat één van de twee Karl heette en dat hij veel vriendelijker was dan zijn gezel. Die Karl sloeg wel eens een praatje en vóór de ingekwartierden vertrokken, vertelde hij dat ze naar Rusland moesten en dat vond hij helemaal geen prettig vooruitzicht. Het best weet ik nog dat ik een paar keer voor hem "bij Marie" bier moest gaan halen: "Jozef, vollen sie bier holen?", zei hij dan. Hij beloofde dat hij zou schrijven, maar helaas hebben we nooit iets ontvangen. Mijn tante die de aardappels die ze van 't leger meekregen verving door "goeie patatten" verklaarde dan dat hij zeker moest gesneuveld zijn omdat zo'n brave man zeker zijn woord zou houden.

Mensen die de kans hadden, probeerden een voorraad haring te halen. Die kon dan ingezouten of in azijn bewaard worden. Zelf heb ik zo'n tocht naar Nieuwpoort meegemaakt toen ik mijn kozijns Marcel en Leo mocht vergezellen. Beiden hadden een paar grote tassen bij en op een bomvolle trein zaten nog veel mensen met dezelfde bestemming als wij. Toen we ons voor de terugtocht naar het station begaven, reed een vrachtwagen volgeladen met haring ons traag voorbij. Een jongen van ongeveer veertien jaar wipte met een emmer bij zich achter op de camion en eens boven, letterlijk staande in de haringen, vulde hij zijn emmer. En voor de chauffeur iets kon ondernemen klom hij naar beneden en verdween met zijn lading in een zijstraat.

Aan de terugreis is nog een meldenswaardig verhaal verbonden dat ik pas thuis hoorde vertellen. Mijn kozijns werden op de trein aangesproken door een oudere heer die zich zeer welstellend voordeed en allerlei vragen stelde. Zo vroeg hij ook of ik hun broertje was. Toen hij hoorde dat ik wees was, noteerde hij mijn naam en adres en deed de stellige belofte dat hij voor mij "iets financieels" ging doen. Toen mijn peter dit hoorde, opperde hij nog meer rijke weldoeners van dat allooi te hebben gekend. In elk geval heeft de man nooit van zich laten horen. Die "haringreis" had dus wel plaats na de dood van mijn vader. Toen we thuis waren, werd er die avond nog een flinke pan haringen gebakken en leeggesmuld.

Na de dood van mijn vader op 30 september 1942 waren mijn zuster en ikzelf helemaal aangewezen op onze pleegouders. Dat waren gelukkig mensen met een gouden hart.

Marcel en Paul moesten zich als werkweigeraar gedeisd houden en sliepen dikwijls op een verschillende plaats. Soms bij familie in een schuur en zelfs ergens in een stal. Zo hebben ze ook nog de nacht doorgebracht op het hof van oud-burgemeester Jan Van den Berghe. In de schuur daar was een soort kamer gemaakt met bussels stro zodat ze goed verborgen waren. Toch bleef het nog steeds een dubbeltje op zijn kant. Ze waren allebei ook al vroeg lid van de plaatselijke weerstandsgroep.

22 augustus 1944 was ook een memorabele dag, en dit niet alleen omwille van de huwelijksdag van Petrus (Piet) Vernaillen. Voor mij was dit het eerste "trouwfeest' waar ik mee naar toe mocht. Zoals in de tijd gebruikelijk was, vond het huwelijksmaal en feest plaats in de woning van de ouders van de bruid, in dit geval dus die van Juliette Baeyens aan de toenmalige Rattenbergstraat ('t hof van Cosijns). Daar het een stralend weertje was, ging 's avonds een deel van de genodigden op de boomgaard. Er werd daar zelfs wat gezongen toen er plots groot lawaai te horen was op de spoorweg tussen Okegem en Iddergem. Wat er precies gaande was, wisten we niet. Uiteindelijk bleek dat weerstanders aan "Den Halt" bijna een militaire trein hadden laten ontsporen. Een tijdje nadien kwamen een paar Duitse soldaten een controle uitvoeren om te weten wat daar op de boomgaard gaande was. E.H. Karel Baeyens heeft toen uitleg moeten geven en de Duitsers begrepen de situatie. Eigenlijk heeft het feestvieren niet geleden door die gebeurtenis.

Een paar feestvierders van de familie hadden een nieuw kostuum dat enkele dagen later door de regen echte "ersatz" bleek te zijn. De stof kwam namelijk vol bubbels en putjes.

Nog tijdens de zomer van 1944 kregen de inwoners van onze streek een merkwaardig schouwspel te zien. Op een avond werd de aandacht getrokken door een ongewone verlichting die zich verplaatste langs de spoorweg vanaf Geraardsbergen. We hoorden vliegtuigen die regelmatig lichtbommen afgooiden. De mensen op straat zegden: "'t Is bijna klaar genoeg om uw gazet te lezen". We konden de voortgang van de lichtbommen volgen en men vertelden dat in Denderleeuw de richting veranderde naar de spoorlijn Oudenaarde-Kortrijk. Sommigen beweerden dat die vliegtuigen op zoek waren geweest naar een trein met vliegende bommen (V1 en V2) die hun door één of andere inlichtingendienst was gesignaleerd. Die trein zou dan gebombardeerd geweest zijn ergens dicht bij Kortrijk.

Gedurende de laatste maanden van de oorlog was het een bijna voortdurend komen en gaan van vliegtuigen die hun vreselijke lading naar Duitsland brachten. Soms loeiden in Ninove de sirenes. De kinderen zijn toen ook een tijdlang onregelmatig naar school geweest. Wij hadden op school de opdracht meegekregen dat we eens onderweg bij het horen van de alarmsirenes zo rap mogelijk naar huis moesten. Zoals de meeste kinderen volgden we die raad natuurlijk letterlijk op. Zo ben ik op weg naar 't college in Ninove eens met enkele anderen vanaf de rijkswachtkazerne te Ninove naar huis teruggekeerd. We kregen op school namelijk taken die we moesten afwerken thuis en daar we niet op school waren geweest, hadden we dus gewoon verlof.

Mijn belevenissen en van mijn familie zijn niet uniek maar op vraag van mijn kinderen heb ik mijn herinneringen aan mijn jeugdjaren op papier gezet. Steunend op mijn geheugen zal het misschien niet helemaal volledig of nauwkeurig zijn. Andere families in Okegem zullen ook dergelijke gebeurtenissen hebben meegemaakt en ik hoop dat enkelen onder hen hun ervaringen ook eens neerschrijven.