DRAMATISCHE BEVALLINGEN TE OKEGEM

H. Van Isterdael

 

Vrouwen zijn in vroegere eeuwen door ontoereikende medische kennis vaak op een ellendige wijze aan hun eind gekomen. In 1788-1790 schreef chirurgijn Pieter Van Bavegem schrijnend over de onwetendheid van de vroedvrouwen op het platteland. Vanaf 1778 startten op initiatief van de overheid opleidingscursussen voor vroedvrouwen1.

Veel bevallingen brachten moeilijkheden mee. De minste verwikkelingen, bijvoorbeeld een vernauwing van het bekken, een te zware baby, een verkeerde ligging van het kind, waren even zozeer risico's. Men durfde de keizersnede niet toepassen. Trouwens de Kerk verzette zich ertegen en wel om tweeërlei redenen. De keizersnede viel toch altijd noodlottig uit, soms voor de moeder, soms voor het kind, maar meestal voor beiden. Ook huldigde de Kerk het principe dat men geen kwaad mocht bedrijven (bijvoorbeeld het doden van de moeder) voor een goed doel (bijvoorbeeld het behouden van het kind). Praktisch kwam dit hier op neer. Wanneer een kind onmogelijk het bekken kon voorbijgaan, liet men de moeder gewoon sterven, voorzien van de sacramenten der stervenden. Onmiddellijk na het overlijden van de moeder werd het kind door een operatief ingrijpen uit het lichaam gehaald en werd het gedoopt. Indien het reeds gestorven was, werd het terug in de moederschoot geplaatst2.

 

Rechtstreekse getuigenissen over het overlijden van vrouwen tijdens een bevalling bezitten we voor Okegem niet. Wel vinden we een aantal namen van vrouwen waarvan de pastoor in het overlijdensregister noteerde dat ze overleden waren tijdens een bevalling. In de periode 1601-1804 waren dat de volgende vrouwen:

- Petronella Van der Kelen overleden op 19 of 20 maart 1622 gehuwd met Petrus Raspoet.

- Maria Jacobs overleden op 29 augustus 1627 echtgenote Petrus Sterck.

- Elisabeth Cobbaert overleden op 22 januari 1638 bij de bevalling en samen begraven met haar kind echtgenote van Petrus Juré.

- Barbara Van Snick, eigenlijk dochter van Christiaan De Winne, overleden bij de bevalling samen met het kind op 18 november 1669 gehuwd met Hubert Hurleon.

- Judoca Van Ginderdeuren begraven 15 oktober 1718 echtgenote van Willem De Leeuwe. Na overlijden van de moeder werd de baarmoeder geopend en het kind gedoopt.

- Maria Beeckman, begraven op 12 oktober 1725 weduwe Petrus De Doncker en echtgenote van Jan Andries.

- Maria Buydens, begraven op 2 oktober 1733 echtgenote van Jan Hendricks. Na het overlijden van Maria werd de baarmoeder geopend om de baby te redden. Na het doopsel overleed het kind en het werd samen met de moeder begraven.

- Catharina Van Snick overleden op 14 september 1757 bij de bevalling samen met het kind, echtgenote van Jan Van den Stock.

 

Een ooggetuigeverslag is er wel voor de voormalige gemeente Strijtem. Kapitein Mercer hield een dagboek bij toen hij in 1815 samen met het Engels leger optrok om te gaan vechten tegen Napoleon in Waterloo. Zo logeerde hij onder andere in het kasteel te Strijtem. Op het verzoek van een boer in Strijtem, wiens vrouw in verwachting was, wees kapitein Mercer aan een aantal soldaten een ander logement toe. Weinige dagen nadien had de bevalling plaats en verloor de boer zijn vrouw. De kapitein verhaalt dit als volgt3: "Ik wandelde, als naar gewoonte, na het middagmaal in de laan en genoot van mijn tabak. De avond was kalm en sereen, de zon ging juist onder. Geen geluid verstoorde de stilte behalve het gegons van insecten of het gekwaak van kikvorsen. Plots weerklonk een van de allerverschrikkelijkste kreten die ik ooit hoorde; de bossen weergalmden ervan.... keer op keer werden die op zulk een verschrikkelijke wijze herhaald, dat ik er kippenvel van kreeg. Het kwam klaarblijkelijk van de hoeve. Maar wat kon er aanleiding geven tot zulke afschuwelijke kreten? Deze keer werden zij gevolgd door luide weeklagende stemmen, zo van mannen als van vrouwen. Ik haastte me naar de hoeve,... verscheidene mannen blootshoofds met klagende kreten kwamen uit de voortuin gelopen... Ze wierpen zich op de knieën voor het beeld van de Maagd met het Kind, dat in een nis buiten de reeds vermelde kapel stond, en begonnen een allerdroevigst mengsel van weeklacht en halfgezongen smeekbede - een gedeelte van een litanie, naar ik meen. Ik stond enigszins verlegen. Na enige uitingen van deze devote oefening, liep een van hen weg en bracht een spade waarmee hij een grote zode uitstak. Toen spoedde de hele groep zich ermee naar het huis.... [Een van de boeren meldde hem het overlijden van de boerin in het kraambed] De zode moest, naar ik vernam, onder haar hoofd gelegd worden, een aloud gebruik dat onveranderlijk nageleefd wordt.


 

1  ELAUT E., Voortgezet onderricht voor vroedvrouwen in de kastelenij van Aalst op het einde van de 18e eeuw, in: Het Land van Aalst, 8, 1956, p. 1-16.

2  CASTELEIN R., Kinderen en hun opvoeding in de kasselrij Oudenaarde tijdens het Ancien Regime, Oudenaarde, 1979, p. 26.

3  CORDEMANS M., Van Oostende naar Waterlo. Captain Mercer's tocht in het jaar 1815, Wetteren, 1951, p. 161-162.