DE OKEGEMSE BIBLIOTHEEK

In november 1999 werd de Okegemse bibliotheek definitief opgedoekt. Gedurende verscheidene generaties hebben Davidsfondsers als vrijwilliger gewerkt in en voor de bibliotheek, steeds met het nobel doel van volksverheffing voor ogen. En daar hadden ze zeer veel voor over. Vergeten we immers niet dat de opbrengst van jaren toneelspelen, boekenverkoop, kerstmarkten, concerten en andere activiteiten van het Davidsfonds dienden voor de aanschaf van boeken voor de bibliotheek. In die zin zijn zij voor de Okegemse bevolking van onschatbaar nut geweest. Waar konden jonge mensen van Okegem met leeshonger en vragen om informatie immers anders terecht? In de plaatselijke bibliotheek stonden de bibliothecaris en het hele Davidsfondsbestuur elke zondag paraat met hun eigen kennis en zelfs met eigen boekenbezit om de lezers te helpen. Ze kunnen niet genoeg bedankt worden voor hun edelmoedige en belangeloze inzet. Hun taak en doel werd professioneel overgenomen door het stadsbestuur met een moderne bibliotheek.

Patrick Praet vertelt hierna met een vleugje nostalgie zijn verhaal over zijn kennismaking met de bibliotheek. Velen van ons zullen er zich in herkennen al kunnen plaats en persoon wel verschillen. Patrick is voor de herinneringen het best geplaatst. Hij doorliep alle stadia, van klein (aan de hand van zijn moeder) naar groot (hij eindigde als bibliothecaris). Reeds eerder publiceerde hij trouwens in onze Mededelingen van Heemkring Okegem de geschiedenis van de bibliotheek1.


 

1  PRAET P., De bibliotheek van Okegem: van "boekerij" naar uitleenpost, 13, 1988, p. 105-110.


 

 

HERINNERINGEN AAN DE BOEKERIJ VAN OKEGEM

Patrick Praet

 

Het was een vreemde ervaring op 19 november vorig jaar. In een lokaal van de openbare bibliotheek van Ninove werd er die dag een grote boekenverkoop georganiseerd. Alhoewel ik wel een bang vermoeden had omtrent de origine van de koopwaar werd ik er onwillekeurig naar toe gedreven. In het te kleine lokaal was het een ware overrompeling. Boekenliefhebbers verdrongen elkaar om te grasduinen in de torenhoog gestapelde lectuur. Bij een eerste oogopslag werd mijn vermoeden bevestigd. Ik herkende onmiddellijk in de rubricering op de rug van de boeken mijn eigen handschrift. Hier lag ze dan: de boekencollectie van de bibliotheek van Okegem, ten prooi aan de begerige handen van bibliofielen die geladen met volle kartonnen dozen naar hun wagen stapten. Het was pijnlijk om de boeken die me deden denken aan mijn kindertijd, achteloos doorheen de handen te zien gaan. Gedurende enkele ogenblikken lag één van de boeken met de avonturen van Pietje Bel in mijn handen. Even zag ik het beeld van mezelf met het bewuste boek jaren geleden...

Het moet in het najaar van 1972 zijn geweest dat mijn moeder me meenam naar wat toen door velen nog de "boekerij" werd genoemd. Op een zondagvoormiddag na de mis stapten we de trappen op van "den Astrid", het oude pand op de hoek van de Leopoldstraat en de Astridbaan (nu Guldenboom). Als kleine jongen ervaarde ik de smalle ruimte als een immense zaal vol wijsheid. De aanwezigheid van een ernstig ogende bibliothecaris achter een zwaar houten bureau versterkte nog deze eerbiedwaardige indruk. Sindsdien bezocht ik gedurende jaren wekelijks de bibliotheek: telkens drie boeken per week die meermaals werden uitgelezen. Wat me altijd weer opviel was dat rond de lessenaar van de bibliothecaris (Roger Chiau) elke zondag enkele rijzige mannen in kostuum samengroepten. Sigaretten rokend bespraken zij de laatste nieuwtjes van het dorp. Wanneer ik bedremmeld mijn boeken wou "laten inschrijven", stokten hun gesprekken. De mannen keken dan goedkeurend naar mijn gekozen lectuur of gaven één of andere vriendelijke opmerking. Pas later realiseerde ik me dat zij bestuursleden waren van het Davidsfonds, de eigenaar van de bibliotheek.

Zo ging al de voorradige jongenslectuur door mijn hand: de avonturen van de Kameleon, Dik Trom, Jan zonder Vrees, de Rode Ridder, de Grote Zeven, ... Kortom, al de boeken die vandaag niet meer tot de echte jeugdliteratuur worden gerekend. Toch oefenden ze op de jongens van mijn leeftijd een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. De spannende avonturen dienden onvermijdelijk als inspiratiebron voor onze kwajongensstreken in de "Polder" of op "den Berg" (het toen nog toegankelijke terrein van houthandel De Roose).

De jeugdbibliotheek had natuurlijk haar beperkingen. Na enige tijd was alles wat ons interessant leek uitgelezen. Gelukkig bracht de "wisselbibliotheek" enig soelaas. Om de drie maanden deponeerde een uitleendienst enkele honderden boeken in de boekerij. daarmee was onze leeshonger opnieuw voor enige tijd gestild...

In 1976 moest de bibliotheek "de Astrid" verlaten. Een gezin dat na een brand zijn huis had verloren, kreeg het oude gebouw aan de spoorweg als voorlopige woning toegewezen. Daarom bracht het Davidsfonds zijn boeken onder in de vroegere gemeenteschool die kort voordien haar deuren had moeten sluiten. Ik miste er echter de gezellige groezeligheid van het vroegere gebouw. De jeugdboeken bevonden zich in een vroeger klaslokaal en stonden geklasseerd in enkele rekken tegen de muren. De onderonsjes van het Davidsfonds-bestuur waren gebleven. Maar voor de rest was het een kille ruimte die werd gedomineerd door een lessenaar en een oude kachel waaruit Georges Becqué, de nieuwe bibliothecaris, op de koude zondagmorgens probeerde wat warmte te halen. Mijn boekenliefde was in die tijd niet meer zo groot. Ik probeerde het dan maar met boeken voor volwassenen. Dit was in alle opzichten een grote psychologische stap. Men moest daarvoor immers ten aanschouwe van de bibliothecaris het lokaal met de jeugdboeken verlaten. Via een duistere gang kwam men dan terecht in een ander onaantrekkelijk lokaal waar de boeken "voor de grote mensen" stonden. Het kostte me de eerste maal heel wat zelfoverreding om met enkele exemplaren naar Georges te stappen. Het baatte echter weinig, het leesplezier was voorlopig gestild. Uiteindelijk leverde ik mijn lenerskaart binnen, een beslissing waarbij ik mezelf heel wat moed moest inpompen om de afkeurende blikken van het Davidsfonds-bestuur te trotseren.

Gedurende jaren zette ik geen voet meer in de bibliotheek. Sinds 1980 was de accommodatie nochtans sterk verbeterd. De vroegere klaslokalen waren omgevormd tot de zaal van het buurthuis en twee kamers van de benedenverdieping van het oude schoolhuis herbergden nu de bibliotheek. Het aantal uitleningen bereikte tijdens het begin van de jaren tachtig ook zijn toppunt. Maar, de collectie was en bleef te beperkt voor het kieskeurige publiek dat steeds beter aan zijn trekken kwam in de snel groeiende bibliotheek van Ninove. Vanaf het midden van de jaren tachtig begon het aantal leners en uitleningen te slinken.

In deze periode kwam ik opnieuw in de bibliotheek terecht. Het ontslag van Georges, het behalen van de bekwaamheidsakte en het lidmaatschap van het Davidsfonds maakten me zo de nieuwe (en tevens laatste) bibliothecaris. Aangezien een nieuw decreet de subsidiëring van kleine (vrije) bibliotheken op termijn uitsloot, werd beslist om de bibliotheek van Okegem over te dragen aan de stad Ninove. De plaatselijke bibliotheek fungeerde voortaan als uitleenpost van de stedelijke bibliotheek.

Het gaf aan de "boekerij" een nieuw elan. De financiële injectie van de stad actualiseerde de boekencollectie zodat de uitleencijfers opnieuw de hoogte in gingen. Het was echter van korte duur. De kinderen bleven wel komen, maar boeken voor volwassenen werden met mondjesmaat uitgeleend. Scholieren kwamen wel de verplichte schoollectuur opzoeken, maar deze lezers verdwenen na het vervullen van hun opdracht even vlug als ze gekomen waren.

Een nieuwe beleidslijn van de stedelijke bibliotheek bracht het stervensproces van de Okegemse bibliotheek in een stroomversnelling. Na een poging om de vrije bibliotheken in de deelgemeenten om te vormen tot uitleenposten, werd tien jaar later namelijk het roer volledig omgegooid. De uitleenposten van Outer en Neigem werden gesloten wegens gebrek aan belangstelling. Deze van Okegem en Appelterre kregen uitstel van executie; gedurende een proefperiode moesten ze bewijzen dat ze nog rendabel waren. Voor Okegem was dit een vergiftigd geschenk. Na mijn ontslag in 1996 werd er immers geen vervanging gevonden zodat de bibliotheek zonder veel uitleg gedurende maanden gesloten bleef. Verontruste lezers die mij met vragen hierover aanklampten moest ik telkens machteloos naar Ninove doorsturen. Toen een jaar later de bibliotheek opnieuw de deuren opende, was het uiteraard niet evident om een nieuw "clinteel" op te bouwen. Vroegere lezers hadden zich intussen in andere bibliotheken ingeschreven. Begin 1999 liep de proefperiode ten einde. Wellicht tot grote opluchting van het stadsbestuur waren de werkingsresultaten verder gezakt. Op het voorstel om de uitleenposten definitief te sluiten kwam er nagenoeg geen reactie. De bijgevoegde werkingsresultaten waren immers zo dramatisch gezakt dat tegen de sluiting niemand redelijke bezwaren kon opperen.

Dan ging het plots heel snel: de bibliotheek werd gesloten, de boeken werden weggehaald en grotendeels verkocht. Ze lagen op 19 november kriskras verspreid op tafels. Als ik wou en in de massa voldoende mijn ellebogen gebruikte, kon ik ze zelfs kopen: Arendsoog, Winnetou, Jan zonder Vrees, Jan Bart, de Rode Ridder, ... al mijn jeugdhelden thuis in de boekenkast voor de eigen kinderen. Ik deed het maar niet. Schroom of nostalgisch sentiment? Laten we het herinneringen noemen...