BEROEPEN IN DE NEGENTIENDE EEUW

 

H. VAN ISTERDAEL

 

Bij het doornemen van de huwelijksakten van Okegem van de periode 1802-1872 viel me op hoezeer de beroepsbevolking wijzigde in de loop van de 19de eeuw.

In een dorp als Okegem was het aantal ambachtslui altijd al beperkt gebleven. In 1738 telde men te Okegem 11 ambachtslieden die 1 knecht en 1 leerling tewerkstelden. Ze waren bedrijvig als timmerman, wever, kleermaker of houtzager. Daarmee was men rond. Veruit de meeste inwoners vonden een inkomen in de landbouw, ook in de 19de eeuw was dit nog het geval. In de burgerlijke stand van Okegem worden ze aangeduid als dagloner, daghuurman, landman, landbouwer, pachter waarbij dagloner de laagste trede op de maatschappelijke ladder was. We moeten ons echter niet blindstaren op dit gegeven, veel gezinnen vonden een tweede inkomen in de huisnijverheid. Vrouw en kinderen sponnen vlas, vader verwerkte het op het weefgetouw. Vooral in de wintermaanden, tijdens de dode maanden in de veldarbeid, werd deze bedrijvigheid sterk beoefend.

Tussen 1802 en 1872 noteerden we uit de huwelijksakten de beroepen van de inwoners die geen betrekking hadden op landbouwactiviteiten. Zowel getuigen als de paren werden in dit overzicht opgenomen.

 

Arbeider aan de IJzerenweg

1867: August Van Laeren

1868: August Wijnant, 33 jaar, bareelwachter, geboren te Denderleeuw.

 

Brouwer

1820: Pieter de Boitselier, 48 jaar, herbergier-brouwer

1852: Benedict Van Havermaet, 65 jaar, landbouwer-stoker

 

Chicoreifabrikant

1872: Jozef Wittenberg, 22 jaar

 

Facteur (vermoedelijk koopman in hop)

1828: Pieter Jan De Boeck, 30 jaar

 

Grafmaker

1828: Jan Van Snick, 29 jaar

 

Handelaar

1845: Francis Wittenberg, 31 jaar

 

Handschoenmaakster

1854: Isabella Vernaillen

1858: Joanna Catharina Van de Perre, 20 jaar

1861: Rosalia Van de Perre, 25 jaar

1863: Rosalia Pauwels, 33 jaar

1864: Rosalia Bocqué (=Becqué), 32 jaar

1867: Francisca Van de Perre, 23 jaar

: Alexandrina Van der Speeten, 24 jaar

: Maria Delphina Van de Perre, 24 jaar

: Theresia Van de Perre, 33 jaar

: Maria Victoria Muylaert, 25 jaar

1868: Regina Stockman, 28 jaar

: Maria Octavia Van der Speeten, 28 jaar

: Philomena Jozefina Minner, 22 jaar

: Philomena De Laen, 28 jaar

: Angelia Muylaert, 23 jaar

1869: Catharina Ghysels, 29 jaar

1872: Maria Benedicta Vernaillen, 27 jaar

: Maria Melania De Vuyst, 22 jaar

 

De evolutie van spinster naar handschoenmaakster en kantwerkster is gemakkelijk verklaarbaar. In 1843 brak een internationale crisis uit in de textielnijverheid. Het lijnwaad en het garen kreeg een lagere prijs en er was gebrek aan werk. In 1844 mislukte op de koop toe de aardappeloogst en tot overmaat van ramp zakte ook de hopprijs. Dergelijke rampspoed bracht armoede en hongersnood in de Okegemse gezinnen. In 1845 werden op 710 inwoners er 221 als behoeftig aangetekend. 37 gezinnen beschikten niet over voldoende voedsel. Om de bevolking de winter 1845-1846 door te loodsen werden uitzonderlijke maatregelen uitgevaardigd. In de loop van het jaar 1846 verbeterde de toestand niet en nieuwe maatregelen drongen zich op. Toen besliste het gemeentebestuur het handschoenmaken aan te moedigen en om een kantwerkschool te steunen.

Vanaf 1854 zien we de eerste jonge vrouwen trouwen die als beroep handschoenmaken opgeven. Het succes was overweldigend als we de lijst van handschoenmaaksters overlopen. Deze nijverheid ging te Okegem een grote bloei tegemoet en heeft tot het midden van de 20ste eeuw aan veel Okegemse gezinnen een inkomen bezorgd. De kantwerkschool had minder succes indien we een vergelijking maken met het aantal handschoenmaaksters. Beide beroepen verdrongen bijna geheel het spinnen dat tevoren hét terrein bij uitstek van de vrouwen was.

 

Herbergier

1802: Anthon De Vuyst, 60 jaar.

1803: Jan Van der Speeten, 60 jaar.

1813: Adriaan Van der Speeten, 46 jaar, landbouwer-herbergier

1813: Maria Carolina Geerssemeter, 38 jaar, weduwe Anthon De Vuyst. Ze hertrouwde met Pieter Frans Thésin die vanaf 1831 als herbergier aangetekend staat.

1820: Pieter De Boitselier, 48 jaar, herbergier-brouwer

1826: Jozef De Laen, 27 jaar

1863: Jan Baptist Goubert, 55 jaar

1865: Adriaan Lodewijk De Boitselier, 42 jaar

1865: Benedict De Vuyst, 57 jaar

1867: Lodewijk Gies, 32 jaar

 

Kandidaat-notaris

1843: Jan Filip Van den Berghe, 37 jaar

 

Kantwerkster

1857: Virginie Muylaert, 20 jaar

1858: Maria Jozefa Van Havermaet, 26 jaar

1862: Isabella Rosalia De Laen, 24 jaar

1863: Joanna Maria Van der Elst, 32 jaar

1864: Elisabeth Van der Elst, 32 jaar

1865: Maria Joanna Baeyens, 23 jaar

1870: Constantia Van der Haegen, 35 jaar

 

Kleermaker

1804: Pieter Frans Sterckx, 24 jaar

1807: Adriaan Gryseels, 50 jaar

1810: Pieter Jan Gryseels, 27 jaar

1814: Anna Francisca Gryseels, 25 jaar

: Jacob Gryseels, 22 jaar

1815: Cornelis Alexander Gryseels, 52 jaar

1833: Pieter Amand Van de Perre, 26 jaar (in 1840 winkelier)

1847: Adriaan Lodewijk Gryseels, 26 jaar

 

Koster

1813: Pieter Van der Speeten, 48 jaar (in 1811 klerk)

1829: Jan Antoon Van der Speeten, 34 jaar

 

Kuiper

1804: Frans Van der Donck, 64 jaar

1809: Willem Jozef Van Nerom, geboren te Halle

 

Landmeter

1807: Charles Benedict Hendrickx, 26 jaar

 

Metselaar

1862: Pieter Jozef De Duffeleer, 25 jaar

 

Molenaar

1840: Pieter Van Damme, 30 jaar

1849: Amand Neuckermans, 25 jaar, molenaarsgast

1851: Pieter Frans Van Damme, 33 jaar, molenaarsgast

1867: Jan Frans Van Damme, 29 jaar

1868: Lodewijk Van Damme, 28 jaar

 

Onderwijzer

1816: Jan Antoon Van der Speeten, 21 jaar

1840: Dominicus De Boitselier, 33 jaar

1843: Pieter Jan Vernaillen, 25 jaar

1859: Juliaan Van der Speeten, 23 jaar

 

Schoenmaker

1806: Laurent De Troyer, 42 jaar

1810: Adriaan Van der Straeten, 23 jaar

1868: Domien De Roeck, 35 jaar

 

Smid

1828: Pieter Pauwels, 29 jaar

1845: Karel Michiels, 24 jaar

1864: Christiaan Pauwels, 31 jaar

1868: Frans Jozef Pauwels, 30 jaar

: Pieter Jan Pauwels, 22 jaar

1868: Pieter Nuyts, 23 jaar, afkomstig van Geel

 

Uurwerkmaker

1856: Jan Frans De Leener, 36 jaar, geboren te St.-Kwintens-Lennik.

 

Veldwachter

1805-1809: Pieter De Clerck, geboren te Denderhoutem

1813-1819: Pieter Debbaut, geboren te Aspelare

1820-1847: Jan Baptist Schoup

1848- : Adriaan De Brabanter

 

Vleeshouwer

1823: Jacob Muylaert, 45 jaar

1837: Dominicus Muylaert, 32 jaar

1867: Augustus Muylaert, 27 jaar

 

Wever

1805: Niclaas Duym, 25 jaar

1811: Jan Baptist Vernaillen, 35 jaar

1811: Jan Goubert, 30 jaar

1811: Tobias Bourgeois, 40 jaar

1819: Jozef Van Mello, 25 jaar

1819: Bernard Van Mello, 23 jaar

1833: Adriaan De Vuyst, 30 jaar

1840: Karel Thésin, 23 jaar, landman-wever

1841: Jozef De Vuyst, 31 jaar

1844: Benedict De Vuyst, 34 jaar

1848: Karel Vernaillen, 48 jaar, landman-wever

 

Deze wevers waren de laatste inwoners van Okegem die probeerden op te boksen tegen de machines. Na 1850 zijn er geen vermeldingen meer van wevers. Het handwerk had definitief afgedaan. Met weven was geen behoorlijk inkomen meer te verdienen.

 

Winkelier

1836: Frans Van der Donck, 37 jaar

1840: Pieter Amand Van de Perre, 33 jaar